Home

Achtergrond 138 x bekeken

Verlenging HIR-termijn is geoorloofd

Als een onderneming een bedrijfsmiddel verkoopt, wordt vaak winst gerealiseerd die wordt belast met inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Onder bepaalde voorwaarden is het echter mogelijk om die winst te reserveren voor de aankoop van een vervangend bedrijfsmiddel. Eén van de voorwaarden van zo’n herinvesteringsreserve (HIR) is dat binnen drie jaar na het jaar van verkoop een vervangend bedrijfsmiddel wordt aangeschaft. De verkoopwinst wordt dan niet belast, maar afgeboekt op de aanschaffingskosten van het vervangende bedrijfsmiddel. Rechtbank Breda heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak waarbij een beroep werd gedaan op verlenging van de herinvesteringstermijn.

Een bv had een pand verkocht aan een andere onderneming. De daarbij gerealiseerde winst had de bv in een HIR opgenomen. De termijn voor het aanschaffen van een vervangend bedrijfsmiddel liep af op 31 december 2003. Op verzoek van de bv had de inspecteur de termijn met een jaar verlengd tot 31 december 2004. Op die datum was de HIR nog niet aangewend door de bv. Daarom voegde de inspecteur de HIR toe aan de winst over het jaar 2004.

De bv was het daar niet mee eens en ging in bezwaar bij de inspecteur. Omdat de inspecteur het bezwaar afwees, ging de bv in beroep bij Rechtbank Breda. De bv vond namelijk dat de wettelijke driejaarstermijn voor aanschaffing van een vervangend bedrijfsmiddel in dit geval moest worden verlengd. Dit is alleen mogelijk als een begin van uitvoering is gegeven aan de aanschaffing van een vervangend bedrijfsmiddel en de aanschaffing door bijzondere omstandigheden is vertraagd.

Volgens de bv was al een begin van uitvoering gegeven aan het aanschaffen van een vervangend pand. De inspecteur was het hiermee eens en had dit ook al aangegeven in een eerder controlerapport over het jaar 2003. Hij was echter van mening dat de verlenging met een jaar voldoende was voor afronding van de herinvestering. Volgens de rechtbank waren de omstandigheden in 2004 ongewijzigd zodat nog steeds sprake was van een begin van uitvoering. Vervolgens was de vraag aan de orde of de aanschaffing was vertraagd door bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelde voorop dat de aangevoerde omstandigheden het oordeel moesten kunnen rechtvaardigen dat de bv redelijkerwijs niet aan de termijn mocht worden gehouden. Daarbij gaat het overigens niet alleen om omstandigheden die betrekking hebben op de vervanging zelf. Volgens de bv was de bijzondere omstandigheid gelegen in problemen met de levering van het verkochte pand. De rechtbank was het daar mee eens, want uit de stukken bleek dat lange tijd onduidelijkheid bestond over de verkoop van het verkochte pand. De koper deed namelijk een beroep op een ontbindende voorwaarde. Hierdoor moest nog worden voldaan aan een aantal voorwaarden voordat kon worden overgegaan tot levering van het verkochte pand. De rechtbank vond het in dit geval redelijk dat de bv de levering van het verkochte pand afwachtte voordat zij zou overgaan tot vervanging. Daarnaast was de rechtbank het niet eens met de stelling van de inspecteur dat de bv het volledig zelf in de hand had om te voldoen aan de voorwaarden, omdat de bv op diverse momenten in 2004 afhankelijk was van de medewerking en werkzaamheden van anderen, zoals een ingeschakeld ingenieursbureau en de gemeente

De bv kon dus een beroep doen op verlenging van de driejaarstermijn, omdat een begin van uitvoering was gegeven aan de aanschaffing van een vervangend bedrijfsmiddel in het onderhavige jaar (2004) en de aanschaffing door bijzondere omstandigheden was vertraagd. De gevormde herinversteringsreserve bleef daarom buiten de winst van dat jaar.

Meer informatie:
Rechtbank Breda, 10-3-2010, nr. AWB 09/3433

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.