Home

Achtergrond 118 x bekeken

Hof moet onderzoeken of verkoop agrarische onderneming aan zoon een schenking is

Bij een agrarische bedrijfsoverdracht is er volgens de Hoge Raad in de meeste gevallen geen sprake van een bedoeling tot bevoordeling naar de nakoming van een verplichting. Met andere woorden: geen schenking in de meeste gevallen en dus ook geen verschuldigde schenkingsbelasting.

Met dit uitgangspunt heeft het gerechtshof geen rekening gehouden. Daarom verwijst de Hoge Raad de zaak naar een nieuw gerechtshof die de zaak opnieuw moet beoordelen. Kort samengevat is het arrest van de Hoge Raad de volgende:

Zoon, heeft samen met zijn vader een agrarische onderneming gedreven. De vader stapt uit de maatschap. Zoon koopt de onroerende zaken en een melkquotum die in de onderneming werden gebruikt van zijn vader. Bij akte van 3 december 2001 wordt de prijs bepaald op f 1 436 202 (€ 651 720). Een deel van de koopprijs (€ 22 689) wordt kwijtgescholden. Zoon doet aangifte van een schenking van € 22 689. Nadat de inspecteur eerst een beschikking heeft genomen Zoon geen aanslag op te leggen, is alsnog de in geschil zijnde aanslag in het recht van schenking opgelegd. Bij de vaststelling van die aanslag, die door het hof is aangemerkt als een navorderingsaanslag, heeft de inspecteur een schenking aanwezig geacht voor het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de overdrachtsprijs van de onroerende zaken en het melkquotum. Zoon heeft voor de rechtbank en het hof betwist dat sprake was van een schenking. Volgens Zoon was de overnameprijs afgestemd op de mogelijkheid om de onderneming rendabel voort te zetten. Daaruit hebben de rechtbank en het hof afgeleid dat de vader de bewustheid en de wil heeft gehad zoon te bevoordelen met het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de onderneming en de overdrachtsprijs, met het oogmerk Zoon tot een rendabele exploitatie van de onderneming in staat te stellen.

De Hoge Raad verwijst onder andere naar zijn arrest van 13 februari 2004, nr. C02/233HR, Daarin is beslist dat in het algemeen in dit soort situaties sprake zal zijn van nakoming van een verplichting – en niet van de bedoeling tot bevoordeling die is vereist voor het aannemen van een schenking – voor zover waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk is om voortgezette bedrijfsuitoefening te verzekeren. Het oordeel van het hof miskent dit beginsel. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond en verwijst het geding naar Hof Arnhem.

Meer informatie: Hoge Raad 12 februari 2010, nummer 09/00193

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.