Home

Achtergrond 173 x bekeken

Standaardmodel maakt dierwelzijn meetbaar

Dierenwelzijn laat zich niet eenvoudig meten. Wetenschappers hebben verschillende modellen ontwikkeld om snel te kunnen beoordelen hoe het met de dieren gesteld is. Maar het model dat in het ene land goed werkt, is niet zomaar elders toepasbaar.

Dierenwelzijn is een lastig meetbaar fenomeen. Europese wetenschappers proberen modellen te ontwikkelen, die op een boerderij toepasbaar zijn en die de mate van dierenwelzijn in een getal uitdrukken. De Duitse onderzoeker Eberhard von Borell van de Martin Luther Universität in Halle-Wittenberg ontwikkelde zijn Tier Gerechtheits Index (TGI), speciaal bedoeld voor Oostenrijkse wetgeving voor de intensieve veehouderij.

Van Borells TGI is later verder uitgewerkt. Het model let vooral op de effecten van het houderijsysteem op het welzijn van rundvee, varkens en pluimvee – vooral voor de biologische bedrijven.

Later zijn andere modellen ontwikkeld, die meer uitgaan van het dier. De Ierse onderzoeker Mickael Mazurek schrijft deze week in BMC Veterinary Research dat die modellen weliswaar een beter en preciezer beeld geven van het welzijn dat het dier ervaart. Maar de modellen zijn niet erg praktisch voor toepassing op een boerenbedrijf, omdat er veel tijd verloren gaat bij de inspectie.

Inmiddels zijn nieuwe Europese protocollen tot stand gekomen om het welzijn van varkens, kippen en runderen zowel op de boerderij als in slachthuizen te beoordelen. Harry Blokhuis en andere Wageningse onderzoekers leverden een grote bijdrage aan het door de Europese Unie gefinancierde Welfare Quality-project, dat resulteerde in drie handboeken (varkens, runderen en kippen). Aan de hand van de Welfare Quality-protocollen wordt het welzijn beoordeeld in vier categorieën, van slecht tot uitstekend aan de hand van vier indicatoren: de huisvesting, de voeding, de gezondheid en het gedrag.

De Ierse onderzoekers keken naar het welzijn van de runderen op Ierse zoogkoeienbedrijven. Daarbij bleek al meteen dat modellen die in het ene land zijn ontwikkeld, niet zomaar toepasbaar zijn in het andere land – een van de redenen om in het Welfare Quality-programma tot een Europese norm te komen.

De Ierse onderzoekers pasten de Oostenrijkse TGI-norm toe, maar kwamen tot de conclusie dat er toch aanmerkelijke verschillen zitten in het Ierse en het Oostenrijkse houderijsys­teem. Oostenrijkse koeien grazen maar een betrekkelijk korte periode buiten – meestal minder dan vier maanden. Ierse zoogkoeien lopen zeven tot acht maanden buiten.

De Ieren betrokken 194 bedrijven in de studie, waarvan er 23 een jaar later nog eens bekeken werden. In het onderzoek bleek het met het welzijn van de dieren goed te zijn. 70 procent van de bedrijven scoorde ’zeer goed’ tot ’uitstekend’.

Toch waren er ook opvallende verschillen te zien tussen bedrijven. Op bedrijven waar een fulltime boer de scepter zwaait, zijn de dieren schoner en minder vaak kreupel. En de belangstelling van de boer voor zijn dieren heeft ook een behoorlijk effect. De oplettende boer meldt minder kreupelheid, minder ziektes en grotere reinheid. Het aantal dieren dat de boer onder zijn hoede heeft, doet daarbij niet ter zake.

Welfare Quality meet dierenwelzijn

Als je dierenwelzijn wilt meten en vergelijken, heb je een model nodig dat overal goed werkt. Dat was een van de uitgangspunten van het door Wageningen Universiteit en Researchcentrum gecoördineerde Europese Welfare Quality-project.

Het project leidde eind vorig jaar tot de drie eerste Europese protocollen voor de beoordeling van dierenwelzijn van landbouwhuisdieren. Consumenten, wetenschappers, politici, belangenorganisaties en het landbouwbedrijfsleven hadden hun inbreng in het project. Uiteindelijk resulteerde dat in vier principes: goede huisvesting, goede voeding, goede gezondheid en de mogelijkheid om eigen gedrag te vertonen. Binnen deze vier principes werden twaalf criteria vastgesteld voor melkkoeien, vleesrunderen, vleeskalveren, zeugen, vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens.

Het Welfare Quality-systeem werd uitgetest op meer dan 700 boerderijen in negen Europese landen. Ook in Zuid-Amerika is het systeem toegepast.
Zodra nieuwe wetenschappelijke inzichten aanleiding geven voor aanpassing of verandering, worden de protocollen aangepast.

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.