Home

Achtergrond 196 x bekeken 1 reactie

Herstel in de agrarische sector is nog broos

De Nederlandse agrarische sector heeft zich hersteld van de slechte resultaten in 2009, toen vrijwel alle sectoren het slecht deden. Of hiermee een langduriger ontwikkeling ten goede is ingezet, laat zich moeilijk voorspellen; daarvoor zijn er te veel variabelen in het spel. De uitgangssituatie voor Nederlandse boeren lijkt echter niet slecht.

Op de valreep van 2010 heeft het landbouweconomisch instituut LEI zoals gebruikelijk de 'jaarrekening' voor de agrarische sector gepresenteerd. Deze ziet er heel wat florissanter uit dan die van het jaar daarvoor: was toen sprake van een halvering van het gemiddelde inkomen, dat verlies is het afgelopen jaar bijna goedgemaakt.

Het LEI spreekt dan ook van een jaar van herstel. Dat roept de vraag op hoe blijvend dat herstel is. Bij een antwoord op die vraag spelen meerdere factoren een rol. Allereerst moet worden opgemerkt dat 2009 wel een uitzonderlijk slecht jaar was; minder dan toen kan haast niet – hoewel er natuurlijk verschillen zijn tussen de sectoren; de legkippenhouderij deed het vorig jaar juist uitstekend. Maar dat was vrijwel geheel toe te schrijven aan het deels wegvallen van de Duitse concurrentie, die op grond van nationale regels de legbatterij buiten bedrijf diende te stellen.

De veel betere resultaten in 2010 laten zich voor het grootste deel verklaren uit hogere prijzen; de geproduceerde hoeveelheid nam nauwelijks toe, en in sommige sectoren (graan, suikerbieten, rundvee) zelfs af. Vooral de graansector scoorde aanzienlijk hogere prijzen (tot wel 70 procent hoger). Maar ook voor voedergewassen (33 procent), aardappelen (25 procent), verse groente (30 procent) en melk (23 procent) werd aanzienlijk meer betaald.

De prijsontwikkeling laat zich echter steeds minder makkelijk voorspellen. Door de globalisering en liberalisering nemen prijsschommelingen toe. De goede prijzen in de akkerbouw kunnen na een goede oogst volgend jaar weer even snel tot het verleden behoren. Datzelfde geldt voor de zuivel, waar alleen al in Europa de productie weer wordt opgevoerd – in aanloop naar 2015, als de quota worden afgeschaft. En dat geldt evenzeer voor de glastuinbouw, die nog altijd afhankelijk is van de energieprijs.

Bovendien moet worden aangetekend dat het gemiddelde inkomen in de agrarische sector nog altijd relatief laag is, met 65.000 euro per bedrijf (dat individuele bedrijven een veel beter resultaat kunnen boeken, spreekt voor zich). De inkomens blijven bijvoorbeeld nog altijd achter bij die in het midden- en kleinbedrijf. Daar komt bij dat een aanzienlijk deel van het inkomen wordt verdiend buiten het boerenbedrijf; in de varkenshouderij is dat zelfs bijna het hele inkomen.
Boerengezinnen moeten er dus naast werken om het hoofd boven water te houden. De extra bijdrage loopt op van gemiddeld zo’n 10.000 euro per jaar in de glastuinbouw, tot wel 25.000 euro in de varkenshouderij. Deze neveninkomsten zijn zo haast te beschouwen als een soort basisinkomen.

Bepaalde sectoren (met name de melkveehouderij, aardappelzetmeel en vleeskalverhouderij) krijgen daarnaast een fikse aanvulling op hun inkomen via de Europese inkomenstoeslagen. Deze bijdrage staat echter onder druk, nu Europa zich opmaakt voor de zoveelste hervorming van het landbouwbeleid. Deze moet per 2013 gestalte krijgen, en de verwachting is dat Nederlandse boeren hoe dan ook zullen moeten inleveren, ten gunste van met name hun Oost-Europese collega’s.

Een andere studie die het LEI deze week presenteerde laat zien dat bij meer ’gerichte’ Europese betalingen de productiviteit daaronder niet hoeft te lijden. Toeslagen gaan dan alleen nog naar boeren die diensten verrichten op het vlak van landschaps-, natuur- en waterbeheer, of die werken in waardevolle, kwetsbare gebieden. Maar het rapport suggereert ook dat de prijzen niet zullen toenemen, omdat boeren nog efficiënter weten te produceren.

Om het inkomen op peil te houden zullen boeren dan hun bedrijf moeten uitbreiden (schaalvergroten) of de kosten moeten drukken. Met name voor de dierlijke sectoren lijkt dat laatste lastig, omdat omwille van het milieu en het dierenwelzijn flink geïnvesteerd zal moeten worden in nieuwe stallen. Wellicht dat nationale en Europese steunregelingen hierbij uitkomst kunnen bieden.
Bij al deze kanttekeningen zijn er ook bemoedigende signalen. Zo meldde het statistisch bureau CBS vorige maand dat afgelopen jaar veel minder agrarische bedrijven zijn gestopt dan normaal. Bedrijven zouden zich meer specialiseren, hoewel er ook zijn die noodgedwongen doorgaan bij gebrek aan een goede koper.

Opwekkender wellicht zijn de cijfers die de Europese broer van het CBS, Eurostat, deze week bekendmaakte. Daaruit blijkt dat Nederlandse boeren het ten opzichte van hun Europese collega’s gewoon goed doen. Alleen Deense, Estse en Ierse boeren zagen hun inkomen het afgelopen jaar harder groeien. Ook over de laatste vijf jaar noteerden Nederlandse boeren een inkomensstijging boven het Europees gemiddelde; een goede prestatie waar bedacht moet worden dat in de meeste Oost-Europese lidstaten de inkomens gemiddeld hard stegen.

In hoeverre de Nederlandse land- en tuinbouw de ingezette positieve ontwikkeling weten vast te houden laat zich moeilijk voorspellen. Dat de sector er ten opzichte van de concurrentie nog altijd goed voorstaat lijkt evident. Deze goede uitgangssituatie moet hij kunnen uitbouwen. En als dan ook de politiek nog een handje helpt, door landbouwbelangen niet lichtzinnig te verkwanselen, gaat de agrarische sector weer betere tijden tegemoet.

Eén reactie

  • no-profile-image

    Die laatste opmerking, daar zit 'm nu net de kneep!

Of registreer je om te kunnen reageren.