Home

Achtergrond 459 x bekeken

Gelderse boer emancipeerde niet

Studies van boerenbonden en coöperaties laten zien hoe de positie van de boer is verbeterd. Maar is de boer aan het begin van de vorige eeuw werkelijk politiek en maatschappelijk geëmancipeerd? Wagenings onderzoeker Piet van Cruyningen zet kanttekeningen.

Wie de afgelopen decennia overal in het land kleine zuivelfabrieken teloor heeft zien gaan, staat niet altijd stil bij de strijd die is gevoerd om de boterfabrieken ruim een een eeuw geleden op te richten. Coöperatieve zuivelondernemingen kwamen niet vanzelf tot stand. Piet van Cruyningen van de leerstoelgroep Agrarische Geschiedenis van Wageningen Universiteit beschrijft in zijn studie naar boerenemancipatie en machtsverhoudingen op het Gelderse platteland de totstandkoming van de stoomzuivelfabriek in het Achterhoekse Vorden.

Drijvende kracht achter de oprichting van de fabriek in 1894 op de arme zandgronden was schoolhoofd Gerhardus Johannes Bieleman, secretaris van de afdeling Vorden van de Gelderse Maatschappij van Landbouw.

Al in 1888 begon Bieleman met zijn lobby, nadat de lokale baron in Friesland had gezien hoe effectief zo’n zuivelfabriek kon zijn. Maar het duurde tot augustus 1893, vijf jaar later, voordat 95 Vordense boeren samen met dorpsbewoners besloten de investering te wagen. De fabriek draaide bij de eerste dag op melk van 385 koeien.

In Gelderland liepen Bieleman en zijn volgelingen voorop. Toen Bieleman een jaar later tijdens de algemene vergadering van de Gelderse Maatschappij van Landbouw een pleidooi hield voor de oprichting van coöperatieve stoomzuivelfabrieken, bleek hij – volgens Van Cruyningen – een roepende in de woestijn.

Bieleman liet zich echter niet weerhouden door tegenstand. Hij was betrokken bij de oprichting van twee stoomzuivelfabrieken in de Achterhoek en speelde een rol bij de stichting van andere fabrieken in de regio.

Het verhaal van Bieleman is opgetekend in Van Cruyningens doorwrochte studie naar de emancipatie van de Gelderse boer. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) maakte het onderzoek mogelijk. Van Cruyningens onderzoek speelt zich af op wetenschappelijk braakliggend terrein. Waar tientallen studies zijn gedaan naar de stedelijke ontwikkeling, is er weinig bekend over de rol die het platteland speelde in de politieke ontwikkelingen.

Wie Van Cruyningen de vraag stelt of de Gelderse boer emancipeerde tussen 1880 en 1930 krijgt een onthutsend antwoord: een kort en krachtig nee. Maar de redenering die achter het nee zit, verklaart veel. ’De Gelderse boer’ bestaat niet. Boeren vormden (en vormen) een diverse groep met variaties in godsdienst, in politieke overtuiging, in sociaal-economische status. De Vordense boeren bijvoorbeeld, waren in grote meerderheid betrekkelijk klein (5 tot 30 hectare grond).

In andere gemeenten die onderdeel zijn van Van Cruyningens studie, was die situatie heel anders. In Ede waren veel kleine tot zeer kleine boeren en daarnaast een niet onbelangrijke groep van middelgrote en grote boeren. Die twee groepen stonden op afstand. En in het Betuwse Elst was er een nog grotere kloof tussen de hereboeren met meer dan 50 hectare en de groep kleine boeren en tuinders.

* Piet van Cruyningen; Boeren aan de macht? Boerenemancipatie en machtsverhoudingen op het Gelderse platteland, 1880-1930; Uitgeverij Verloren; 328 pagina’s; ISBN 9789087042028 (30 euro)

Boeren verloren macht
Dat boerenbonden en coöperaties hebben bijgedragen aan welvaart en welzijn van een groot deel van de boerenbevolking lijdt geen twijfel. Maar de vraag is of de plattelandsbevolking in de periode rond het begin van de vorige eeuw ook in politieke en maatschappelijke zin opstuwde in de vaart der volkeren. Piet van Cruyningen probeert in zijn studie antwoord te vinden op die vraag. Als boeren in die zin emancipeerden, zou dat moeten blijken uit een grotere invloed in gemeentebesturen en provinciebestuur.

Er was, zo concludeert Van Cruyningen, in de periode van 1880 tot 1930 inderdaad sprake van gewijzigde machtsverhoudingen, maar het gaat te ver die wijzigingen als boerenemancipatie te benoemen. Kleine boeren en tuinders kregen weliswaar meer macht, maar de grootgrondbezitters verloren juist hun positie. Van Cruyningen: ”De opkomst van de kleine boeren in lokaal en regionaal bestuur was onvoldoende om het verlies aan macht van de grotere boeren te compenseren. Het waren vooral de niet-agrarische middengroepen die de zetels innamen die notabelen en grote boeren verloren. Anderzijds echter werd door de sterke groei van de landbouworganisaties en de coöperatieve beweging de basis gelegd voor het machtige Groene Front, dat decennia lang de plattelandseconomie en de Nederlandse landbouwpolitiek zou domineren.”

Foto

Of registreer je om te kunnen reageren.