Home

Achtergrond 214 x bekeken 5 reacties

Prijsschommelingen hebben grotere gevolgen op inkomens

De agrarische sector kampt duidelijk met de gevolgen van de economische malaise. Het lijkt nuttig om een vergelijking te maken met de crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw. Die was trouwens veel ernstiger dan de huidige, betoogt Cees van Bruchem.

Wat waren de gevolgen van de economische crisis in de jaren dertig voor de agrarische sector? De vraag naar landbouwproducten liep terug, wat voor een exporterend land als Nederland nog werd versterkt doordat andere landen invoerbeperkende maatregelen troffen om de eigen landbouw te beschermen. Het aanbod – en dat is typerend voor de agrarische sector – paste zich slechts moeizaam aan bij de dalende vraag en het gevolg was een forse overproductie en sterk dalende prijzen. In 1933-1935 waren de prijzen van landbouwproducten bijna de helft lager dan in de periode 1924-1929. De prijzen van veehouderijproducten stonden sterker onder druk dan die van akkerbouwproducten.

Overigens speelden destijds meer structurele problemen op de agrarische markten een rol. In de jaren twintig was de productiecapaciteit vooral in Amerika en Australië aanzienlijk uitgebreid als reactie op de hoge prijzen tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog. Toen vervolgens ook de Europese productie zich weer herstelde, was er snel sprake van overproductie en lage prijzen.

De prijzen van de productiemiddelen daalden in de jaren dertig aanzienlijk minder dan de opbrengstprijzen en het gevolg was een sterke terugval van het landbouwinkomen. Rond 1933 bedroeg de toegevoegde waarde van de Nederlandse landbouw ongeveer 400 miljoen gulden; dat was 35 à 40 procent lager dan aan het eind van de jaren twintig. De daling van het landbouwinkomen was daarmee ruim anderhalf maal zo sterk als die van het nationale inkomen. Daar kwam bij dat het verminderde inkomen met meer personen moest worden gedeeld, doordat er meer mensen in de landbouw bleven als gevolg van de massale werkloosheid. De agrarische sector had toen een aandeel van 20 procent in de totale beroepsbevolking; tegenwoordig is dat minder dan 3 procent.
De grondprijzen gingen in het begin van de jaren dertig sterk omlaag. In de jaren 1924-1929 bracht een boerderij gemiddeld ongeveer 2.500 gulden per hectare op, maar in 1933 was dit gedaald tot 1.340 gulden. De pachtprijzen bleven wel vrij hoog, totdat in 1932 de Crisis-pachtwet van kracht werd, waardoor de positie van de pachters verbeterde.

Daarmee komen we bij het beleid van de overheid. Aanvankelijk heerste de opvatting dat de landbouw, evenals de rest van het bedrijfsleven, maar moest 'uitzieken'. Naarmate duidelijker werd dat dit een langdurig en pijnlijk proces zou worden met een onzekere afloop, ging de Nederlandse overheid, in navolging van andere landen, meer en meer over tot ondersteunende maatregelen, die uitmondden in de Landbouwcrisiswetgeving. Deze was vooral gericht op ondersteuning van de opbrengstprijzen. Daarbij werd getracht zowel de invoer af te remmen, als de productie te beperken. Zo werd het verplicht om meel van buitenlandse tarwe te mengen met Nederlands meel en kwamen er prijsgaranties in combinatie met teeltbeperkingen. In wezen is dit beleid tientallen jaren blijven bestaan, vanaf de jaren zestig in EU-verband.

Hoe is de inkomensontwikkeling nu? In 2009 is de bruto toegevoegde waarde van de land- en tuinbouw naar schatting zo’n 20 procent lager zijn dan in 2007, het laatste jaar voor de crisis. Het inkomen dat resteert voor agrarische zelfstandigen en hun gezinsleden, na aftrek van rente, pacht en dergelijke, is zelfs met bijna 75 procent verminderd. Het LEI schat dit inkomen in 2009 op ongeveer 800 miljoen euro. Dat ligt in de zelfde orde van grootte als het totaalbedrag aan subsidies dat de sector dat jaar ontving. Het uit de markt behaalde inkomen was dus ongeveer nihil.

De belangrijkste oorzaak van de inkomensval ligt, net als in de jaren dertig, in de daling van de prijzen, die in 2009 ongeveer 10 procent lager waren dan in 2007. Tegelijk gingen de prijzen van de productiemiddelen, die tegenwoordig voor een veel groter deel afkomstig zijn van buiten de agrarische sector, iets omhoog.

Een ander verschil met de jaren dertig is dat de tuinbouw - en dan vooral de sierteelt - toen nog relatief klein was, zodat de gevoeligheid van de sector voor koopkrachtveranderingen destijds waarschijnlijk geringer was dan nu. Ook zijn tegenwoordig de marges smaller: in de jaren dertig omvatte de toegevoegde waarde bijna tweederde van de bruto-productiewaarde, tegenwoordig is dat minder dan 40 procent. Prijsveranderingen hebben daardoor grotere gevolgen voor de inkomens. Een laatste, maar niet onbelangrijk, verschil is dat in de jaren dertig de overheid haar bemoeienis met de prijs- en inkomensvorming in de agrarische sector geleidelijk uitbreidde, terwijl de huidige tijd in het teken staat van de afbouw van overheidsingrijpen. Mede om die reden is te hopen dat de huidige crisis snel voorbij is.

Cees van Bruchem is werkzaam bij LEI-Wageningen-UR

Administrator

Laatste reacties

  • no-profile-image

    Huib Rijk

    vaak wordt beweerd dat al die onderzoekers maar wat onnozele meningen verkondigen en slechts bezig zijn hun mooie baantje in zekerheid te stellen. Totale flauwekul natuurlijk. In ieder geval bevat het artikel van Dhr van Bruchem een schat van interessante informatie.

  • no-profile-image

    Paul Jansen

    Cees, of de huidige crisis minder erg wordt als die van de jaren dertig vorige eeuw is nog afwachten. We zitten er nog midden in. Er zijn weliswaar meer kapitaalkrachtige consumenten, ze zijn echter ook in hoge mate in schulden gestoken. In de jaren dertig waren er weinig kapitaalkrachtige burgers, lage lonen maar ook weinig of geen schulden. Omdat er door overheden enorme hoeveelheden geld in een luchtmarkt gepompt is draait het systeem verder. Kunstmatig worden prijzen van onroerend goed hoog gehouden omdat anders burgers niet meer kredietwaardig zijn. Voor agrarische ondernemingen zit ook hier de achilleshiel. De situatie in de kern is echter niet rooskleuriger dan toen omdat de gestaag oplopende rekening die nog open staat betaald moet worden. Consumenten die nu al behoudender uitgaven doen zullen voldoende koopkracht moeten kunnen genereren om verdere vraaguitval te voorkomen. Er moet op gewezen worden dat consumenten de huidige status van luxe hebben kunnen bereiken door het steeds goedkopere en luxere voedselpakket. De vraag duikt vervolgens op of consumenten bereid zijn om meer voor hun voedsel te gaan betalen in ruil tegen andere luxe verworvenheden. Of moet er eerst een implosie ontstaan in de voedselproductie voordat men onderkend dat voedsel toch wel een vereiste is om in leven te blijven. Als het een en ander opgelost moet worden door middel van liberale handel, dus steeds goedkoper, dan ziet het er voor het duurdere westen beroerd uit. Even terzijde, ik kan niet aan de indruk ontkomen dat de Chinese economische handelswijze ook op een luchtbel gebouwd wordt.

  • no-profile-image

    Piet Slingerland.

    Goede morgen Paul en Huib, ik sluit mij bij jullie aan. Wat ik er van denk dat weten jullie al; de situatie is ernstig, maar niet hopeloos!!!... Toch is voorzichtigheid troef, denkt o.g.t.

  • no-profile-image

    Han

Laad alle reacties (1)

Of registreer je om te kunnen reageren.