Home

Achtergrond 270 x bekeken

Bedrijfsmatig geëxploiteerde bedrijfsgrond voor de landbouw?

Op dit moment loopt er een procedure bij de Hoge Raad over de vraag wanneer er sprake is van bedrijfsmatig geëxploiteerde bedrijfsgrond voor de landbouw.

Het is een procedure in de overdrachtsbelasting. De staatssecretaris is het niet eens met de uitspraak van het hof dat van bedrijfsmatige exploitatie van landbouwgronden ook sprake is als een winststreven ontbreekt en de exploitatie van de gronden niet is gericht op de productie van landbouwproducten.

Kort samengevat is de aan de Hoge Raad voorgelegde zaak de volgende:

Bij notariële akte van levering verkreeg Stichting X voor € 1.450.000 de eigendom van 17,5 ha gras- en bouwland in de gemeente Z, te gebruiken als grasland, weidegrond en maïsland. X deed een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting ex art. 15, lid 1, onderdeel q. Blijkens art. 2 van de statuten beoogt X geen winst en heeft zij ten doel het creëren en exploiteren van tehuizen voor dieren, die zullen worden bestemd tot rusthuizen voor oude paarden. Vooral moet worden voorkomen dat de paarden geslacht zouden worden. Er is nooit OB-aangifte gedaan en voor de Vpb zou er sprake zijn van een vrijstelling, nu belastingplichtige geen winst zou beogen en niet in concurrentie treedt met vergelijkbare belastingplichtigen (ondernemers).

X verzorgt circa 100 paarden, die grotendeels buiten lopen in de weilanden rond Z. De paarden worden verzorgd door 16 personen, die bij X in dienst zijn. Zij beschikt over een tractor, een zuigwagen en een mobiele beregeningsinstallatie. De landerijen bewerkt X zelf en op een deel daarvan verbouwt zij gewassen, die als voer voor de paarden worden gebruikt. In de winterperiode worden de weilanden begraasd door schapen. X is na de verkrijging van landerijen eigenares van 42 ha landbouwgrond, die zij gebruikt ten behoeve van de in verzorging genomen paarden. De percelen worden gebruikt om de paarden te laten grazen en voor genoemde productie van gras, maïs en hooi.

In geschil is of de inspecteur terecht de genoemde vrijstelling heeft geweigerd. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of is voldaan aan het vereiste in art. 6a, lid 1, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit Wbr (tekst 2004), dat de verkrijger de verkregen landerijen bedrijfsmatig exploiteert. De inspecteur meent van niet.

Volgens het hof is de vrijstelling van toepassing. Naar het oordeel van het hof is van bedrijfsmatige exploitatie van landbouwgronden ook sprake indien een winststreven ontbreekt en de exploitatie van de verworven gronden niet is gericht op de productie van landbouwproducten.

Meer informatie: Hoge Raad, nummer 2009/04554

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.