Home

Achtergrond 158 x bekeken

Wel integrale kostenvergoeding, geen afwaardering verpachte grond door BV

Een tweetal broers zijn samen met hun BV in een lange juridische strijd met de Belastingdienst verwikkeld.

Na een in een eerder stadium verloren procedure over het jaar 1996 wordt ook de procedure over het jaar 1998 verloren. Wel wordt een integrale kostenvergoeding van € 17.255 toegekend.

Kort samengevat is de aan de rechter in Breda voorgelegde zaak de volgende:

De broers A en B drijven in de vorm van een vof een agrarisch bedrijf. Op 1 maart 1996 kopen ze allebei een perceel landbouwgrond. Het gebruik en genot wordt aan de vof verstrekt. A en B activeren de grond op hun persoonlijke ondernemingsbalans als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. De gronden worden sinds 16 oktober 1996 verpacht aan belanghebbende, X bv, die op 31 maart 1998 is opgericht. De gronden worden bij de oprichting van belanghebbende op 31 maart 1998 geruisloos ingebracht in belanghebbende, met instandhouding van de pachtovereenkomst. In verband met een verloren procedure over het jaar 1996 - waarbij A en B de gronden ten laste van hun winst hadden afgewaardeerd - zijn de gronden op de inbrengbalans van belanghebbende geactiveerd voor de oorspronkelijke aanschafwaarde. Per 31 december 1998 waardeert belanghebbende de gronden af tot de bedrijfswaarde, zijnde de waarde in verpachte staat.

Rechtbank Breda beslist dat afwaardering van de grond in 1998 naar grond in verpachte staat geen gevolgen heeft voor de winst van belanghebbende. De rechtbank acht namelijk aannemelijk dat reeds ten tijde van de aankoop vaststond dat A en B de gronden ter beschikking zouden stellen aan belanghebbende. Volgens de rechtbank hebben A en B er derhalve niet op zakelijke gronden voor gekozen om de gronden in privé te kopen en vervolgens aan belanghebbende te verpachten. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de waardevermindering ten gevolge van de verpachting dan niet als zakelijke last bij de broers aftrekbaar zou zijn en dat dat dan ook voor belanghebbende heeft te gelden. Alhoewel belanghebbendes beroep ongegrond is, kent de rechtbank belanghebbende nog wel een integrale kostenvergoeding van € 17.255 toe, in verband met de handelwijze (geen fair play) van de inspecteur in de procedures over 1996 en 1998.

Meer informatie:
Rechtbank Breda, 12 augustus 2009, nr. AWB 07/1947

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.