Home

Achtergrond 91 x bekeken

Strikte voorwaarden voor stamrecht bij ontslag

Veel ondernemingen zitten in zwaar weer en moeten daarom werknemers ontslaan.

Bij het voortijdig eindigen van een dienstverband worden werknemers vaak financieel gecompenseerd door de werkgever door middel van een ‘gouden handdruk’. Indien het een eenmalige uitkering betreft, is deze belast voor de loonbelasting tegen het tarief voor bijzondere beloningen en is hierover premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet verschuldigd. De gouden handdruk is vrijgesteld voor de premieheffing werknemersverzekeringen, omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is.

Om de belastingheffing over de gouden handdruk naar de toekomst te verschuiven, kan de uitkering in plaats van eenmalig ook periodiek aan de werknemer worden toegekend (een zogenoemd stamrecht). Indien het stamrecht voldoet aan de wettelijke voorwaarden, kan de betaling van de koopsom plaatsvinden zonder inhouding van loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet en worden de periodieke uitkeringen belast op het moment dat deze worden uitgekeerd. Eén van deze voorwaarden is dat het stamrecht in fiscale zin (nog) niet is genoten. In fiscale zin is sprake van ‘genieten’ als een inkomensbestanddeel is betaald of verrekend, ter beschikking wordt gesteld, rentedragend wordt of vorderbaar en inbaar is geworden. Deze voorwaarde is heel strikt. Illustratief hierbij is een uitspraak van Rechtbank Den Haag. De zaak was verkort weergegeven als volgt.

Een man was werkzaam bij twee werkgevers. Door tussenkomst van de rechter werden de arbeidsovereenkomsten in februari 2004 ontbonden. Op een rechtszitting in maart 2004 kwamen partijen een ontslagvergoeding overeen van € 55.000. De man had al in maart 2003 een bv opgericht waarvan hij alle aandelen hield en enig bestuurder was. De bv was bedoeld om als een stamrecht-bv te fungeren. De ontslagvergoeding werd in april 2004 overgemaakt op de derdengeldenrekening van een notariskantoor. Op 4 mei 2004 maakte het notariskantoor € 55.000 over op de bankrekening van de bv onder vermelding van: “inzake stamrechtuitkering”. Op 10 mei 2004 en 15 juni 2004 maakte de bv een bedrag van ruim € 55.000 over op de bankrekeningen van de man en zijn echtgenote. Na deze overboekingen bleef nog een klein bedrag over op de bankrekening van de bv. Op 24 juni 2004 werd de stamrechtovereenkomst tussen de bv en de man getekend.

De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de man al vóór de totstandkoming van het stamrecht over de ontslagvergoeding had beschikt zodat de stamrechtvrijstelling daarop niet van toepassing was. Hij legde daarop de bv een naheffingsaanslag loonheffing op van € 23.100, vermeerderd met € 5.775 aan boete en € 1.968 aan heffingsrente. De man stelde dat de stamrechtvrijstelling wel van toepassing was. De zaak kwam voor Rechtbank Den Haag.

De rechtbank liep de wettelijke voorwaarden na voor de stamrechtvrijstelling. Uit de wettekst volgde dat de stamrechtvrijstelling alleen van toepassing kan zijn als het bedrag van de ontslagvergoeding in fiscale zin nog niet is genoten. De rechtbank gaf verder aan dat bij een juiste verdeling van de bewijslast de bv aannemelijk moest maken dat aan alle voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling was voldaan. De rechtbank was echter van oordeel dat de bv niet in haar bewijslast was geslaagd. Vanwege de twee overboekingen van de bv op 10 mei 2004 en 15 juni 2004 had de man namelijk al over de ontslagvergoeding beschikt. Daarmee had de man deze inkomsten al in fiscale zin genoten.

De bv stelde nog dat de stamrechtovereenkomst al in 2003 mondeling was overeengekomen. De rechtbank achtte dat niet aannemelijk. Pas op 25 maart 2004 was namelijk overeenstemming bereikt over de ontslagvergoeding. Tot die datum was het nog onzeker of een ontslagvergoeding zou worden toegekend. Daarom vond de rechtbank het aannemelijk dat de stamrechtovereenkomst niet eerder dan op 24 juni 2004 tot stand is gekomen. Nu de man al vóór die datum over de ontslagvergoeding had beschikt, kon de stamrechtvrijstelling niet van toepassing zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van de bv ongegrond, maar verminderde de opgelegde boete met 5%, omdat behandeling van de procedure niet binnen de redelijke termijn van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens was geschied.

Meer informatie:
Rechtbank Den Haag, 3 juni 2009, nr. 07/9429

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.