Home

Achtergrond 173 x bekeken

RBV-bouwrecht vormt nagekomen bedrijfsbate

De Hoge Raad beslist dat het voordeel dat ontstaat door de verkrijging van een bouwrecht op grond van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) belast is als nagekomen bedrijfsbate.

Volgens de Hoge Raad is de eerdere beslissing van Hof Arnhem juist. Ondanks het feit dat de onderneming in 2000 fiscaal is gestaakt, wordt het pas in 2002 “ontstane” bouwrecht als nagekomen bedrijfsbate in 2002 belast.

Deze uitspraak heeft uitstralingseffecten naar de later ingevoerde functieveranderingregelingen zoals Rood voor Rood- of Ruimte voor Ruimte-regelingen die op dit moment toegepast worden.

De Hoge Raad sluit aan bij de overwegingen van Hof Arnhem. Hieronder worden de belangrijkste overwegingen van het Hof weergegeven.

4.2 Volgens vaste jurisprudentie is de afwikkeling van een bedrijf nog niet voltooid indien ten tijde van de staking van de onderneming met betrekking tot activa of passiva die tot dan toe tot het ondernemingsvermogen hebben behoord nog baten (of verliezen) kunnen worden gerealiseerd. De redelijkheid verzet zich er alsdan tegen om uit de ondernemingsuitoefening voortgesproten aanspraken, waarvan het beloop ten tijde van de staking nog onzeker is, - zonder de uitslag van de onderhandelingen af te wachten - ter gelegenheid van de staking naar het privévermogen over te brengen. De activa blijven onder dergelijke omstandigheden tot het nog niet geheel geliquideerde vermogen van de gestaakte onderneming behoren en kunnen alsnog winsten of verliezen opleveren in daaropvolgende jaren (vergelijk onder meer Hoge Raad, 2 mei 1956, nr. 12 474, BNB 1956/213*, Hoge Raad 28 oktober 1959, nr. 14 047, BNB 1959/374, Hoge Raad 13 juni 1973, nr. 17 128, BNB 1973/212* en Hoge Raad 14 maart 2003, nr. 37 885, VN 2003/18.8).
4.3. Belanghebbende heeft haar onderneming gestaakt op 31 december 2000. Daarbij zijn de grond en de opstallen van het ondernemingsvermogen naar het privévermogen overgebracht. Voor 31 december 2000 heeft belanghebbende een beroep gedaan op de RBV. De daaruit voortvloeiende subsidie voor mestproductierechten en sloop is in 2001 genoten en ook in dat jaar als nagekomen bedrijfsbate belast. Belanghebbende heeft met de heffing over deze vergoeding in 2001 ingestemd.
4.4. De stelling van belanghebbende dat op 31 december 2000 al een bouwrecht aanwezig was, dat naar het privévermogen overgebracht is, verwerpt het Hof. Eerst in 2001 heeft belanghebbende de procedure in gang gezet om een bouwvergunning te krijgen voor de bouw van een tweede woning. Van een vervulling van de voorwaarden zoals gesteld in de RBV, op stakingsdatum is evenmin gebleken. Van een bouwrecht is dan nog geen sprake. Wel bestond er een aanspraak op de subsidie voor mestproductierechten en sloop.
4.5. Belanghebbende heeft eerst op 2 januari 2002 een bouwvergunning aangevraagd die in juni 2002 definitief door de gemeente is verleend. In dat jaar moest ook de eerder verstrekte sloopsubsidie terugbetaald worden, omdat het tot dan onzeker was of de gemeente de bouwvergunning ook daadwerkelijk zou verlenen. Het stond de gemeente immers vrij om de aanvraag op grond van planlogische of andere redenen af te wijzen.
4.6. Door de toekenning van de bouwvergunning geniet belanghebbende een voordeel ter grootte van de waardestijging van de grond met agrarische bestemming naar grond als bouwkavel. Doordat belanghebbende grond heeft geruild met zijn buurman, B en de bouwvergunning ziet op een deel van de door deze ruiling verkregen grond, dient de waardestijging berekend te worden over deze grond. De Inspecteur stelt deze bate vast op € 197.841 aan de hand van een taxatierapport van 1 december 2003 van taxateur C. Nu eerst in juni 2002 de onzekerheid over de al dan niet verlening van een bouwvergunning is verdwenen, is dat het moment waarop de omvang van het voordeel dient te worden vastgesteld. De door belanghebbende overgelegde taxatie die uitgaat van een waardering van het voordeel naar de situatie van 31 december 2000 kan reeds hierom niet als basis dienen voor de berekening hiervan. Belanghebbende heeft overigens geen grieven aangedragen tegen de door de Inspecteur overgelegde taxatie, zodat het Hof uitgaat van de juistheid daarvan.
4.7. Het door belanghebbende genoten voordeel hangt onlosmakelijk samen met de beëindiging van haar onderneming. Voor het verkrijgen van dit voordeel moest belanghebbende immers onder andere haar onderneming staken en de voormalige bedrijfsopstallen slopen. Daarnaast moest zij de sloopsubsidie terugbetalen die, zoals tussen partijen niet in geschil is, voortvloeide uit haar onderneming. Onder deze omstandigheden vormt het door belanghebbende in 2002 genoten voordeel winst uit onderneming.’

Meer informatie:
HR 10 juli 2009, 08/10699
Hof Arnhem 2 april 2008, nr. 05/00424

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.