Home

Achtergrond 150 x bekeken

Principiële bezwaren tegen MINAS niet gehonoreerd

De MINAS wet- en regelgeving mag volgens de Hoge Raad niet door de rechter getoetst worden op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid. Verder is van strijd met een ieder verbindende verdragsbepaling niet gebleken.

Het aanbod van belanghebbende om minister Veerman als getuige te horen heeft het hof gepasseerd omdat het onvoldoende betrekking heeft op de onderhavige zaak. De stelling dat de MINAS-wet- en regelgeving naar zijn opvatting ondeugdelijk, onlogisch, onbillijk en onredelijk is - volgens belanghebbende is MINAS een rekenkundige blunder van formaat – wordt niet overgenomen door de rechter.

Hieronder volgen de belangrijkste overwegingen van het gerechtshof:

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft in de van hem afkomstige stukken uitvoerig uiteengezet dat en waarom de Minas wet- en regelgeving waarvan de fosfaat- en stikstofheffing onderdeel uitmaken in zijn visie niet deugt. Hij acht Minas een rekenkundige blunder van formaat. In zijn visie worden processen en hoeveelheden stoffen bij elkaar opgeteld die van elkaar onderscheiden moeten worden. Het houden van dieren heeft naar zijn mening niets te maken met het grondgebruik. Het voer voor dieren kun je zelf telen of je kunt het kopen en daar gaat Minas naar zijn oordeel de mist mee in. Ook is hij van mening dat in het kader van de heffing ten onrechte mineralen bij elkaar worden opgeteld die in totaal verschillende leefwerelden voorkomen. Een van de gevolgen is dat intensieve bedrijven veel gemakkelijker de Minas-normen kunnen halen dan extensieve bedrijven. Een ander gevolg is in zijn visie dat de landbouw volkomen ten onrechte een milieuprobleem is aangepraat.

4.2. Belanghebbendes grieven komen, kort gezegd, er alle op neer dat hij de Minas wet- en regelgeving waarop de onderhavige fosfaat- en stikstofheffing zijn gebaseerd verwerpt als zijnde ondeugdelijk, onlogisch, onbillijk en onredelijk. Deze grieven kunnen hem in de onderhavige procedure evenwel niet baten. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De Meststoffenwet mag evenmin worden getoetst aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Van strijdigheid van de wet met een ieder verbindende verdragsbepalingen is niet gebleken. Het Hof verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 5 juli 2005, nr. 04/01133, LJN: AT9352, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende naar aanleiding van vragen van het Hof te kennen gegeven dat hij minister Veerman als getuige heeft opgeroepen uitsluitend met het doel hem vragen te stellen over de Minas wet- en regelgeving en de systematiek en motieven die daaraan ten grondslag liggen. Het getuigenbewijs dat belanghebbende heeft aangeboden heeft naar het oordeel van het Hof om die reden niet, althans onvoldoende betrekking op de onderhavige zaak. Het Hof passeert dit aanbod om die reden en ziet geen reden de behandeling van de zaak aan te houden om de getuige alsnog te kunnen horen.’

Meer informatie:
HR 24 april 2009, 43.639
Hof Arnhem, 04/00254, 6 september 2006, MK II

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.