Home

Achtergrond 527 x bekeken

Paarden: geen droog brood

Verpaarding
Nederland is in een hoog tempo aan het verpaarden. Steeds meer mensen houden hobbymatig één of meer paarden. Ook steeds meer (voormalig) ondernemers zien brood in de paardenhouderij als nieuwe hoofd- dan wel neventak. Het is daarbij vanuit fiscaal oogpunt bezien erg belangrijk of (paarden)activiteiten aangemerkt kunnen worden als een ‘bron van inkomen’. Is sprake van zo’n bron dan zijn winsten weliswaar belast, maar daar staat tegenover dat (aanloop- of gewone) verliezen aftrekbaar zijn. Heeft men de bronvraag eenmaal succesvol gepasseerd dan komt vervolgens de vraag aan de orde of de bron een onderneming vormt of dat er sprake is van (het fiscaal veel minder gunstige) belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (BROW). In een onlangs door de Rechtbank Haarlem beslist geschil (dat betrekking had op meerdere jaren) kwam de belastingplichtige aan de bronvraag niet voorbij. De rechtbank besliste dat de activiteiten van de belastingplichtige van aanvang (in 1999) af tot het jaar 2002 steeds een verlies hadden opgeleverd. In augustus 2002 gooide de ondernemer de handdoek in de ring en staakte zijn paardenactiviteiten. Uit dit alles leidde de Rechtbank af dat de paardenfokkerijactiviteiten nooit tot winst zouden kunnen leiden. In dat geval kan niet gezegd worden dat sprake is van een bron van inkomen. Wat ook al niet hielp was het ontbreken van een ondernemingsplan.

Arabische volbloeden
Belastingplichtige was directeur groot aandeelhouder van een aantal vennootschappen, waarin verzekeringsactiviteiten werden verricht. De DGA was fulltime voor deze BV’s werkzaam. De DGA hield zich aanvankelijk hobbymatig bezig met het fokken van Arabische volbloedpaarden. Na verloop van tijd had hij zes van deze paarden. Hij was woonachtig op een complex waar naast de woning ook stallen en paarden waren. Met ingang van 1 januari 1999 werd door hem een onderneming gestart (eenmanszaak), die zich bezig ging houden met de stoeterij, fokkerij en de handel in Arabische volbloedpaarden. De belastingplichtige bracht zijn zes (privé)paarden in deze onderneming in. De met zijn onderneming behaalde verliezen bracht de ondernemer in aftrek op zijn inkomen, maar de inspecteur zette door die verliezen een streep. Uiteindelijk belandden partijen bij de rechter in Haarlem.

Omzet en ondernemerschap
Bij de vraag naar het bestaan van een bron van inkomen werd op verzoek van de fiscus door de ondernemer een begroting gemaakt. De cijfers uit deze begroting bleken achteraf in werkelijkheid nooit gehaald te zijn. Met andere woorden: de resultaten vielen van mee af aan tegen. Ook het (vanuit privé afkomstige) fokmateriaal was niet van topkwaliteit. Slechts drie van de zes paarden waren geschikt voor de fok. Verder werd de ondernemer op kosten gejaagd doordat hij enkel over merries beschikte. De kosten van dekking waren daarom aanzienlijk. Dat dit niet bijdroeg aan een goed ondernemingsresultaat zal duidelijk zijn.

Eiser
De ondernemer stelde dat hij wel degelijk van 1999 tot en met 2004 een onderneming had gedreven. Hij had van het begin af aan (geldelijk) voordeel beoogd te behalen. Het was meer dan een hobby, zo stelde hij. Dat zou ook moeten blijken uit de gedane (forse) investeringen. Verder was onze ondernemer op de nodige shows geweest en had hij actief gehandeld in veulens. Ook voor de omzetbelasting was hij al als ondernemer aangemerkt. Uit dit alles leidde de ondernemer af dat sprake was van een bron van inkomen zodat de door hem geleden verliezen aftrekbaar waren.

Fiscus
De inspecteur zag dit anders. Volgens hem was er nooit sprake geweest van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. Ook bleef de deelname aan het economische verkeer zeer beperkt. Een positief resultaat (zie hiervoor) viel niet te verwachten. Dat kwam mede door het gebrek aan kennis bij de ondernemer. Met nadere woorden: de man in kwestie was een goedwillende hobbyist maar niet meer dan dat.

Rechter
De rechter legde de nadruk op de vraag of in deze zaak objectief bezien in de toekomst in alle redelijkheid een positief resultaat te verwachten viel. Die vraag beantwoordde de rechter ontkennend. Wat de eiser had aangevoerd was onvoldoende. Wat hem hierbij met name opbrak was de afwezigheid van een fatsoenlijke exploitatiebegroting en een ondernemingsplan. Ook het ontbreken van elementaire kennis bij de ondernemer deed zijn kansen niet stijgen.

Conclusie
Wie een bron van inkomen wil creëren moet vooral niet nalaten een fatsoenlijke exploitatiebegroting op te stellen. Ook het zelf hebben van kennis (of die kennis inkopen, al moet dat dan wel uitkunnen) is verstandig. Deze uitspraak lijkt daarmee te bevestigen dat ondernemers die de bakens verzetten (bijvoorbeeld richting paarden) het in fiscaal opzicht makkelijker hebben dan particulieren die ook ‘iets met paarden’ willen gaan doen.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.