Home

Achtergrond 186 x bekeken

Wageningen werkt met Brazilië aan verbetering biobrandstof

De productie van biobrandstof is genoemd als hoofdoorzaak van de recordprijzen van voedsel. Een studie van Wageningen UR gaf aan dat dit niet het geval kon zijn. De vraag of de productie van (meer) biobrandstoffen wenselijk is, blijft echter gerechtvaardigd, zegt Aalt Dijkhuizen na een werkbezoek aan Brazilië.

Brazilië is wereldwijd de belangrijkste producent van biobrandstof. Wageningen UR voert veel projecten uit in en met Brazilië en heeft daar een eigen vestiging. De universteit ontving er premier Jan Peter Balkenende tijdens diens recente bezoek aan Brazilië en zette de feiten rond de productie van biobrandstoffen nog eens op een rij. Daarbij kwam ook de vraag aan bod of er nu wel of geen Amazonegebied voor geofferd wordt.

Biobrandstoffen in Brazilië worden onderscheiden naar bio-ethanol, biodiesel en biogas. Bio-ethanol is veruit de belangrijkste en wordt gebruikt als brandstof in personenauto’s. Benzine kent een wettelijk verplichte bijmenging van bio-ethanol van 25 procent, maar vrijwel alle nieuwe auto’s kunnen ook op 100 procent bio-ethanol rijden. Afhankelijk van de prijs kiest de consument bij elke tankbeurt voor het één of het ander. In 2008 lag het binnenlandse verbruik op circa 17 miljard liter, ofwel 50 procent van het totale benzineverbruik, en werd er ruim 4 miljard liter geëxporteerd, vooral naar de VS.

Bio-ethanol wordt in Brazilië gemaakt van suikerriet, terwijl de VS daar maïs voor gebruikt. De verwachting is dat Brazilië haar huidige 7,5 miljoen hectare suikerriet in de komende vijf jaar zal uitbreiden met 3 tot 4 miljoen hectare. Hiermee kan worden voorzien in de groeiende binnenlandse vraag, maar ook in de toenemende export. Ter vergelijking, de sojaproductie in Brazilië beslaat circa 18 miljoen hectare, de veehouderij 240 miljoen hectare en het Amazone-gebied 540 miljoen hectare. Enorm, als je bedenkt dat het totale Nederlandse grondgebied circa 4 miljoen hectare bedraagt, waarvan 2 miljoen voor landbouw wordt gebruikt.

Het concentratiegebied van de suikerrietproductie ligt in de deelstaat São Paulo, in het zuidoosten van Brazilië. Dat ligt op ruim 2.500 kilometer afstand van het Amazonegebied, of zoals de Braziliaanse President Lula in de FAO-vergadering in mei in Rome zei: ongeveer de afstand tussen Vaticaanstad en Moskou. Daar vindt ook de uitbreiding van de productie plaats vanwege allerlei economische voordelen, zoals een goede ontsluiting, aanwezigheid van verwerkende bedrijven. De grond- en klimaatomstandigheden in het Amazonegebied zijn ongunstig voor suikerriet.

In Nederland heeft de Commissie Cramer al in 2007 duurzaamheidcriteria opgesteld voor biobrandstoffen. Intussen heeft ook Brussel daar beslissingen over genomen. Uitgangspunt is dat biobrandstoffen moeten bijdragen aan de vermindering van uitstoot van CO2 met minstens 35 procent. Een eis die bio-ethanol op basis van suikerriet gemakkelijk haalt. Verder mogen biobrandstoffen niet van beboste gebieden komen noch van gronden met een grote biodiversiteit. Ook aan die criteria voldoet de huidige productie in Brazilië.
Het probleem van de suikerrietproductie zit hem veel meer in de arbeidsomstandigheden. Mechanische oogst is nu al mogelijk en zou ook het milieu ten goede komen, omdat dan het afbranden van het suikerrietloof niet meer nodig is. Alleen betekent mechanisatie dat een groot deel van de circa 160.000 suikerrietkappers in de staat São Paulo hun baan verliezen. Dat zijn voor een belangrijk deel tijdelijke immigranten uit het droge en arme noordoosten. En al is hun baan uit arbo-oogpunt verre van optimaal, geen inkomen is desastreus voor deze mensen. De vakbonden zitten hier dan ook bovenop en zetten President Lula onder druk alleen dan tot mechanisatie over te gaan als er voor deze mensen vervangend werk is.

De productie van bio-ethanol in Brazilië betekent op dit moment op geen enkele wijze een gevaar voor het Amazonegebied noch is het een directe concurrent voor de voedselproductie. Vooralsnog is het dan ook een prima wijze om te voorzien in schone brandstof. Als er naar de toekomst toe steeds meer voedsel nodig is en de prijzen gaan stijgen, kan het echter wel (meer) gaan concurreren. Daarom is het zaak nu al versterkt in te zetten op de zogenaamde tweedegeneratie technologie, die het mogelijk maakt uit organische bijproducten en reststromen ingrediënten te halen voor groene energie en groene chemie. En zelfs op de derdegeneratie, waarbij het vastleggen van het zonlicht zoals dat in planten gebeurt kunstmatig wordt nagebootst. Aan beide generaties wordt gewerkt, ook binnen Wageningen UR. Juist nu liggen er uitgebreide voorstellen voor financiering uit de beschikbare aardgasbaten (FES-middelen). Een ontwikkeling die vanuit Nederland alle steun verdient en via onze samenwerking met Brazilië ook daar zeker navolging zal krijgen. Dan zetten we met elkaar een grote stap voorwaarts naar een écht duurzame energievoorziening.

Aalt Dijkhuizen, voorzitter Raad van Bestuur van Wageningen Universiteit & Researchcentrum

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.