Home

Achtergrond 222 x bekeken

Hoge Raad moet beslissen over fiscaal lot windturbine

Moeten de opbrengsten van een windturbine belast worden in box 1 of in box 3. Deze principiële vraag ligt op dit moment voor bij de Hoge Raad.

De in de nabije toekomst te verwachten uitspraak van de Hoge Raad is van groot belang voor de (agrarische) exploitanten van windturbines.

Een bloemenkweker heeft cassatie aangetekend tegen de uitspraak waarin het hof beslist dat de windturbine die hij op zijn land exploiteert een bron van inkomsten is en als winst in box 1 belast moet worden.

De aan de Hoge Raad voorgelegde zaak is kort samengevat de volgende:

B exploiteert een bloemenkwekerij. In 2001 investeert hij in de aanschaf van een windturbine die hij laat plaatsen op zijn privégrond. B heeft de opgewekte elektriciteit bij voorbaat verkocht aan een nutsbedrijf. In zijn aangifte IB rekent B de windturbine tot box 3. De inspecteur is van mening dat de inkomsten uit de windturbine vallen onder winst uit onderneming.

Volgens de rechtbank heeft B geen ondernemershandelingen verricht ten behoeve van de elektriciteitsproductie. Door het ontbreken van arbeid is er geen sprake van een organisatie van kapitaal en arbeid. Het hof denkt hier anders over. B beschikt over enige kennis en ervaring op het gebied van windenergie. Hij heeft een omvangrijke kapitaalinvestering gedaan door, met behulp van diensten van derden, windenergie te gaan produceren. Het inhuren van diensten van derden komt voor rekening en verantwoordelijkheid van B.Gelet hierop en op de andere risico’s die gemoeid zijn met de exploitatie van een windturbine, is sprake van het drijven van een onderneming, die voor B een bron van inkomen vormt.

In cassatie concludeert B dat de exploitatie van de windturbine is aan te merken als een belegging in het kader van box 3. B kan het oordeel dat de exploitatie naar zijn aard gekwalificeerd moet worden als een onderneming niet rijmen met hetgeen de staatssecretaris in reactie op Kamervragen heeft verwoord, namelijk dat het van de feiten en omstandigheden afhangt of de exploitatie plaatsvindt in het kader van een onderneming. In zijn verweerschrift stelt de staatssecretaris dat het hof op grond van de feiten kon oordelen dat de door B geëxploiteerde windturbine als een aan het maatschappelijk verkeer deelnemend productiebedrijf kan worden aangemerkt.En dat hij daarbij ondernemersrisico's liep.

Lopende procedure Hoge Raad, 2008//04843.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.