Home

Achtergrond 524 x bekeken

Waarde bij doorverkoop van landbouwgrond heeft geen invloed op de WEVAB

De vaststelling van de Waarde in het Economisch Verkeer bij Voortgezette Agrarische Bestemming (WEVAB) is soms een lastige zaak.

Dit blijkt maar weer eens uit een recente uitspraak van het de Hoge Raad. Een agrarische ondernemer kon in dit geval niet bewijzen dat de WEVAB op een hogere waarde moest worden vastgesteld. Dit ondanks het feit dat bij een latere doorverkoop een hogere prijs werd gehanteerd.

Kort samengevat is de uitspraak van de Hoge Raad in navolging van het gerechtshof de volgende:
Belanghebbende heeft de landbouwonderneming van zijn vader voortgezet. In 1997 verkocht hij 2,5 ha cultuurgrond. In 2001 verkocht hij aan A, voor particuliere bewoning, 1.01.70 ha grond met opstallen voor € 397.058. In 2002 verkocht A de grond met opstallen voor € 504.200 aan veehouder B. De Belastingdienst had de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (WEVAB) van de grond vastgesteld op € 170.168. In geschil was in hoeverre de boekwinst op de grond van het perceel onder de landbouwvrijstelling valt. Daarbij was de vraag hoe de verkoopopbrengst van € 397.058 moest worden uitgesplitst over de opstallen en de grond van belang. Rechtbank Haarlem had niet stilgestaan bij de uitsplitsing van de verkoopopbrengst over de in de verkoop betrokken zaken en oordeelde dat belanghebbende een hogere WEVAB dan de door de inspecteur vastgestelde WEVAB niet aannemelijk had gemaakt.

Hof Amsterdam oordeelde dat het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/3338M, niet rechtstreeks van toepassing was, omdat de woning van belanghebbende al was verkocht op het tijdstip waarop de beleidsregel werd uitgevaardigd. De inspecteur is er toch van uitgegaan dat de landbouwvrijstelling op belanghebbende van toepassing is. Het hof was van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de WEVAB van de ondergrond van de woning hoger was dan de door de inspecteur vastgestelde waarde. Verder was het hof van oordeel dat belanghebbende de WEVAB van de overige grond niet (voldoende) heeft betwist en niet aannemelijk had gemaakt dat de koopsom op een andere wijze moest worden uitgesplitst. De door B aan A betaalde koopprijs kon niet dienen als maatstaf voor de WEVAB die aan de verkochte grond ten tijde van de vervreemding kon worden toegekend.

De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81 Wet RO.

Meer informatie:
Hoge Raad 18 december 2009, nummer 09/00210
Hof Amsterdam 3 december 2008, nummer 07/00619

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.