Home

Achtergrond 99 x bekeken

Melkveehouderijbedrijf is voortgezet en niet gestaakt volgens Advocaat-Generaal

De adviseur van de Hoge Raad, Advocaat-Generaal Niessen adviseert de Hoge Raad om in een lopende procedure te beslissen dat er sprake is van een verplaatsing van een melkveehouderij en niet van een staking.

De onderneming is verplaatst naar Duitsland.

De lopende procedure is kort weergegeven de volgende:

Een melkveehouder, X, dreef een melkveehouderijbedrijf in Q. Op 7 maart 2000 heeft de Inspecteur een zogenoemde (positieve) beschikking 'geruisloze overgang’ gegeven in verband met de geruisloze inbreng van het melkveehouderijbedrijf in een nieuw opgerichte besloten vennootschap (bv). Ter volstorting van de aandelen in de bv had X alle activa en passiva (met uitzondering van de melkproduktierechten) van het melkveehouderijbedrijf ingebracht. Eind januari/begin februari 2000 heeft de bv een groot aantal onroerende zaken verkocht, waarna X de onderneming nog een tijd heeft voortgezet. Omstreeks eind oktober 2000 heeft de bv een melkveehouderijbedrijf in Z, Duitsland, gekocht. Het melkquotum heeft X (in etappes) verkocht, het laatste deel in september 2001. Het vee en de bedrijfsmiddelen zijn naar het bedrijf in Z overgebracht. Na februari 2001 is op het bedrijf in Q niet meer gemolken en medio 2004 zijn alle activiteiten in Q beëindigd. Aan X is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1998 opgelegd omdat geruisloze inbreng per 31 december 1998 niet mogelijk zou zijn. X komt uiteindelijk in cassatie.

Advocaat-Generaal Niessen heeft een conclusie uitgebracht.

De A-G neemt staking alleen bij werkelijk essentiële wijzigingen in de bedrijvigheid van de onderneming aan, de verplaatsing zelf geldt niet als zelfstandige factor. In dit geval is volgens de A-G de aard van de productie na de verplaatsing hetzelfde gebleven, namelijk de exploitatie van een melkveehouderijbedrijf. Voorts betroffen de wijzigingen die hebben plaatsgevonden geen goodwill bepalende factoren (waaronder plaats- of persoonsgebonden afzetkanalen en de aanwezigheid van een bijzondere vestigingsplaats). De onderneming is dus na de inbreng voortgezet. Het melkveehouderijbedrijf mocht daarom geruisloos worden ingebracht in de bv met toepassing van artikel 18 Wet IB 1964. De A-G concludeert tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Meer informatie: Advocaat-Generaal, 10 november 2009, nr. 08/01448

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.