Home

Achtergrond 191 x bekeken

Betaling meerwaardeclausule. Aftrekbaar of niet?

De meerwaardeclausule blijft de fiscale gemoederen bezig houden. Is de betaling nu wel of niet volledig aftrekbaar?

Deze vraag is nu voorgelegd aan de Hoge Raad die hierover uitsluitsel moet geven.

De meerwaardeclausule is een in de agrarische overnamepraktijk veel gebruikte overeenkomst. Het komt er grofweg op neer dat de bedrijfsovernemer (een deel van) de bevoordeling bij de bedrijfsoverdracht terug moet betalen als hij of zij de onderneming niet voortzet. Vaak is hier een termijn van 10 of 15 jaar aan gekoppeld.

In de meeste gevallen wordt de onderneming gelukkig gewoon voortgezet. In die gevallen waar dit helaas niet het geval is, dient de overnemer een bedrag aan de ouders of broers en zusters te betalen. De vraag of deze betaling aftrekbaar is als de overnemer de onderneming geruisloos heeft overgenomen ligt voor bij de Hoge Raad.

Kort samengevat is de aan de Hoge Raad voorgelegde zaak de volgende:

Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak waarin het hof besliste dat bij hem slechts aftrekbaar is het bedrag dat betrekking heeft op de waardeaangroei van het melkquotum sinds de overdracht daarvan.

B heeft het aandeel van zijn vader in de door hen gedreven maatschap overgenomen. Ter zake daarvan deden zij een beroep op de doorschuiffaciliteit van artikel 17 IB 1964. In de akte van overdracht is een zogenoemde meerwaardeclausule opgenomen, op grond waarvan B bij een vervreemding voor een bepaalde datum een bedrag is verschuldigd aan zijn beide broers. In verband met de verkoop van het melkquotum op 1 april 2002 wordt B op grond van de clausule een bedrag verschuldigd. In geschil is of de betaling van € 148.250 aan de broers terecht slechts voor een bedrag van € 8.731 in aftrek is aanvaard. Volgens B kan de betalingsverplichting uit hoofde van de meerwaardeclausule, ook voorzover deze betrekking heeft op de waardeaangroei van het melkquotum bij zijn vader, op zijn winst in mindering worden gebracht.

Het hof oordeelt anders. Een redelijke uitleg van de faciliteit van geruisloze doorschuiving brengt mee dat B bij de verkoop in 2002 moet afrekenen over de doorgeschoven overdrachtswinst van zijn vader (zie Hoge Raad 9 april 2004, nr. 39152). Hetgeen B in 2002 aan zijn broers heeft voldaan, is dan ook slechts aftrekbaar voorzover dit betrekking heeft op de waardeaangroei van het quotum na de overdracht daarvan per 30 april 1992.

B heeft cassatie ingesteld. De staatssecretaris wijst in zijn verweerschrift op genoemd arrest. Naar zijn mening geldt deze rechtspraak ook in situaties waarin artikel 17 Wet IB 1964 is toegepast. Het betoog van B over het belasten van de betaling uit hoofde van de meerwaardeclausule bij de overdrager, gaat alleen al daarom niet op omdat B geen bedrag is verschuldigd aan zijn vader, maar aan zijn beide broers.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.