Home

Achtergrond 119 x bekeken

Vaststellingsovereenkomst landbouwvrijstelling in strijd met wet

De Haagse rechter vernietigt een fiscaal compromis over de werking van de landbouwvrijstelling.

Omdat het compromis zo in strijd is met de wettelijke regeling mag deze niet nageleefd worden.

Kort samengevat is de uitspraak van de rechter de volgende:

C en D oefenden in maatschapverband een landbouwbedrijf uit. Op 24 februari 1995 hebben zij land verkocht aan G bv. In 1999 heeft de gemachtigde van C en D aan de inspecteur een voorstel voor een vaststellingsovereenkomst gedaan ten aanzien van de toepassing van de landbouwvrijstelling. De brief is voor akkoord ondertekend door de inspecteur. In december 2000 hebben C en D hun onderneming ingebracht in belanghebbende, met toepassing van artikel 18 Wet IB 1964. Belanghebbende heeft in 2002 de landbouwvrijstelling toegepast op de ontvangst van een deelbetaling. In geschil is onder andere of belanghebbende is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst.

Partijen hebben langdurig overleg gevoerd over de toepassing van de landbouwvrijstelling. Overleg tussen de gemachtigde en de inspecteur heeft er ten slotte toe geleid dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten. De inspecteur mocht er van uitgaan dat de gemachtigde een toereikende volmacht was verleend. Belanghebbende heeft, ook nadat de rechtbank dit onderwerp aan de orde heeft gesteld, onweersproken gesteld dat de bij de berekening van de landbouwvrijstelling te gebruiken contante waarde f 11 per m² bedraagt. De rechtbank beslist dat de door de inspecteur gehanteerde contante waarde van f 3 per m² dan niet juist kan zijn en niet, zelfs niet als een ruwe benadering, kan worden aanvaard. De landbouwvrijstelling wordt door de overeenkomst op onaanvaardbare wijze uitgehold en de overeenkomst is zozeer in strijd is met de geldende wettelijke regeling dat de inspecteur op volledige nakoming daarvan niet mocht rekenen (HR 3 juni 1981, nr. 20.281, BNB 1981/230). De rechtbank herrekent het bedrag van de landbouwvrijstelling. Het beroep is gegrond.

Meer informatie:
Rechtbank Den Haag 10 juni 2009, 06/10269, LJN BJ4957

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.