Home

Achtergrond 109 x bekeken

Belastingheffing over opbrengst quotum kan niet met lijfrente worden weggepoetst

Wie zijn quotum verkoopt – al dan niet, zoals in deze procedure, op aandrang van de bank – kan belastingheffing hierover niet vermijden door via een omweg een lijfrente aan te schaffen.

Aldus het Gerechtshof Den Bosch 30 juli 2009, 07/00381, LJN BK0151

Bank doet moeilijk
Een ondernemer exploiteerde samen met zijn echtgenote een akkerbouw- en veehouderijbedrijf. Tot het ondernemingsvermogen behoorde een melkquotum. Onder druk van de huisbankier heeft men het quotum verkocht voor een bedrag van ongeveer fl. 925.000 (€ 420.000). Met dit geld heeft men een schuld aan de toenmalige bank afgelost.

Maatschap met BV
Na de verkoop van het quotum heeft belanghebbende samen met zijn echtgenote een BV opgericht. Met die BV zijn hij en zijn vrouw vervolgens een maatschap aangegaan. Belanghebbende bracht in die BV zijn bedrijf in, terwijl de BV een bedrag in contanten meebracht. Voor de bij de inbreng in de BV gerealiseerde overdrachtswinst is een lijfrente bedongen. Hiervoor moest bij de BV een bedrag worden gestort. Dit bedrag werd door belanghebbende deels bij een bank geleend (het ging om een bedrag van € 418.313), terwijl de BV dit ontvangen bedrag weer terugstortte bij de bank. Een kasrondje zogezegd.

Lijfrente?
In zijn aangifte claimde belanghebbende aftrek van de bij de BV bedongen lijfrentepremie. De inspecteur weigerde dit, en de zaak kwam bij de rechter. Partijen verschilden van mening over de vraag of de lijfrente was bedongen als tegenprestatie voor de inbreng van een onderneming of een gedeelte van een onderneming in de B.V. Dit vereist is opgenomen in artikel 3.126, lid 1, onderdeel a, ten tweede Wet IB 2001. Met name was de inspecteur van oordeel dat in de B.V. geen onderneming of deel van een onderneming is ingebracht, maar alleen een bedrag in geld, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.126 Wet IB 2001.

Gerechtshof
De belastingrechter overwoog dat van een aftrekbare lijfrentepremie alleen maar sprake kan zijn als de lijfrenten bij de B.V. is bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan de B.V. In dit geval echter was geen sprake van de overdracht van (een gedeelte van) een materiële onderneming. Sterker nog: het was in de ogen van de rechter nog maar de vraag of een bedrijf waarvan het quotum is verkocht nog wel als een bedrijf aan te merken valt! Er werd dus niet aan de wettelijke voorwaarden voor premieaftrek voldaan.

Belanghebbende dacht hier anders over. Naar zijn mening was het voor premieaftrek voldoende dat bij het ontstaan van de maatschap met de eigen BV winst ontstond, in dit geval over de gerealiseerde stille reserves en de goodwill, en voor die winst - tegen vergoeding van contanten - een lijfrente wordt bedongen. De rechter deelde deze opvatting zoals gezegd niet. Voor aftrek is namelijk vereist dat een (gedeelte van een) onderneming aan B.V. wordt overgedragen, waartegenover een lijfrente wordt toegekend. En in dit geval bestond de tegenprestatie voor de lijfrente enkel en alleen uit contanten.

Omweg
In deze zaak werd voor een omweg gekozen. Zo moet het dus duidelijk niet. Wil men een lijfrente bedingen dan moet de hele onderneming de BV in, en dient men bij de BV (of een derde) voor de winst een lijfrente te bedingen. Als er geld nodig is (en dat was hier het geval) dan zal de BV vervolgens geld moeten lenen (zal vaak moeilijk zijn) of activa (zoals het ingebrachte melkquotum) moeten gaan verkopen. Met de opbrengst kan dan de bank worden betaald. Maar verkoop van quotum kort na inbreng levert ook fiscale problemen op. Maar de hier gekozen route was in ieder geval betrekkelijk kansloos.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.