Home

Achtergrond 1037 x bekeken

Bedrijfsmatige exploitatie verzekert vrijstelling overdrachtsbelasting

Landerijen die bedrijfsmatig agrarisch worden geëxploiteerd, kunnen vanaf 2007 (met gebruikmaking van de per die datum bestaande vrijstelling van art. 15 eerste lid onderdeel q Wet belastingen van rechtsverkeer) vrij van overdrachtsbelasting worden verkregen. Een recente beslissing van het Gerechtshof Amsterdam (LJN: BK0062 ) vult het tot nu toe nog vage vereiste van bedrijfsmatige exploitatie verder in.

Bedrijfsmatige exploitatie
Sinds 2007 kunnen landerijen vrij van overdrachtsbelasting worden verkregen. De vrijstelling geldt slechts voor landerijen (waaronder de ondergrond van glasopstanden), maar niet voor opstallen. De vrijstelling is voor de agrarische sector van zeer grote betekenis, ondanks het feit dat er een vereiste van voorgezet agrarisch gebruik geldt van maar liefst tien jaar. Een probleem vormt het tamelijk vage vereiste van ‘bedrijfsmatige exploitatie’. Een recente beslissing van het Gerechtshof Amsterdam (LJN: BK0062 ) vult dit vereiste verder in. De beslissing is gewezen voor de toepassing van art. 15 eerste lid q (oud) WBR, de bekende vrijstelling voor verbetering van de landbouwstructuur. Hier gold echter ook het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie, reden waarom deze beslissing ook voor de nieuwe agrovrijstelling van toepassing is.

Oude paarden
Een stichting kende als statutaire doelstelling de verzorging van oude paarden. Ook oude ezels en zielige geiten waren welkom. De stichting beoogde geen winst en streefde er onder meer naar oude paarden of paarden die wegens financiële redenen niet meer verzorgd konden worden voor de slacht te behoeden. De stichting verkreeg bij notariële akte van levering van 1 april 2004 voor een koopprijs van € 1.450.000 de eigendom van in totaal 17,5 hectare gras- en bouwland. Deze landerijen gingen gebruikt worden als grasland, weidegrond en maïsland. Terzake van deze verkrijging werd een beroep gedaan op de landbouwstructuurvrijstelling. Het ging om een bedrag van € 87.000 aan overdrachtsbelasting waarvoor de vrijstelling werd geclaimd. Later heeft de stichting nog eens ruim 42 hectare landbouwgrond verkregen. Ook die werden gebruikt voor de in verzorging genomen paarden. De verzorging was bepaald niet kleinschalig. Er worden ongeveer 100 paarden verzorgd, die grotendeels in de eigen weilanden liepen. De paarden werden verzorgd door 16 personen, die in dienst waren bij de stichting. De stichting beschikte onder meer over een tractor, een zuigwagen en een mobiele beregeningsinstallatie. De landerijen bewerkte de stichting zelf en op een deel daarvan werden gewassen verbouwd, die als voer voor de paarden werden gebruikt. De weilanden werden in de winterperiode begraasd door circa 40 schapen.

Bedrijfsmatig?
De inspecteur was van mening dat de activiteiten van de stichting een hobbymatig karakter hadden. En toegegeven moet worden: de afweging slachten of niet is doorgaans een financiële afweging (hier dus niet) en het ‘zorgen voor zielige paardjes’ klinkt evenmin erg bedrijfsmatig. Voor de vennootschapsbelasting bestond een vrijstelling en aangifte omzetbelasting werd er niet gedaan. Toch was belanghebbende van oordeel bedrijfsmatig bezig te zijn.

Oordeel Hof Amsterdam
Het Hof oordeelde dat de eis van bedrijfsmatige exploitatie met zich brengt dat sprake moet zijn van een agrarische onderneming. De gronden dienen daarom te zijn bestemd voor agrarische doeleinden die door de wetgever zijn omschreven als landbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw. Het Hof overwoog verder dat het criterium van bedrijfsmatige exploitatie verhindert dat degene die uit liefhebberij landerijen exploiteert, gebruik maakt van de vrijstelling. Maar de wet vereist niet dat de bedrijfsmatige exploitatie moet zijn gericht op de productie van landbouwproducten. Het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie beoogt slechts hobbyboeren uit te sluiten van de vrijstelling.

Vervolgens kwam het Hof tot de conclusie dat de stichting een agrarische onderneming exploiteert. De stichting verricht namelijk haar activiteiten met gebruikmaking van een daartoe in het leven geroepen organisatie van kapitaal en arbeid van in beginsel permanente duur en van voldoende omvang en samenhang om te kunnen gelden als bedrijfsmatige exploitatie van de verworven gronden. Voldaan is aan het vereiste dat sprake is van een verbetering van de landbouwstructuur. Er is geen sprake van activiteiten met een hobbymatig karakter. Dat de verkregen grond in de eerste plaats dient tot het houden van oude paarden leidt niet tot een ander oordeel, nu naar het oordeel van het Hof het streven naar een optimaal resultaat niet ondergeschikt is aan andere met de exploitatie nagestreefde doelen. De vrijstelling was derhalve van toepassing op de verkrijging door belanghebbende van het gras- en bouwland.

Conclusie
Het lijkt er op dat als activiteiten maar voldoende body hebben (permanente arbeid, voldoende omvang) er al snel sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Met name hoeft er geen sprake te zijn van een landbouwbedrijf als bedoeld in art. 3.12 Wet IB 2001 (landbouwvrijstelling). Evenmin hoeft er sprake te zijn van specifiek agrarische (voor consumptie bestemde) opbrengsten. Daarmee is de vrijstelling voor de verkrijging van landerijen in ieder geval dichter binnen handbereik gekomen.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.