Home

Achtergrond 277 x bekeken

Waarde landbouwgrond bij doorverkoop heeft geen invloed op de WEVAB

De vaststelling van de Waarde in het Economisch Verkeer bij Voortgezette Agrarische Bestemming (WEVAB) is soms een lastige zaak.

Dit blijkt maar weer eens uit een recente uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam. Een agrarische ondernemer kon in dit geval niet bewijzen dat de WEVAB op een hogere waarde moest worden vastgesteld. Dit ondanks het feit dat bij een latere doorverkoop een hogere prijs werd gehanteerd.

Kort samengevat luidt de uitspraak van het Hof als volgt:

Belanghebbende heeft de landbouwonderneming van zijn vader voortgezet. In 1997 verkoopt hij 2,5 ha cultuurgrond. In 2001 verkoopt hij aan A, voor particuliere bewoning, 1.01.70 ha grond met opstallen voor € 397.058. In 2002 verkoopt A de grond met opstallen voor € 504.200 aan veehouder B.

De Belastingdienst heeft de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (WEVAB) van de grond vastgesteld op € 170.168. In geschil is in hoeverre de boekwinst op de grond van het perceel onder de landbouwvrijstelling valt. Daarbij is de vraag hoe de verkoopopbrengst van € 397.058 moet worden uitgesplitst over de opstallen en de grond van belang.

Rechtbank Haarlem heeft niet stilgestaan bij de uitsplitsing van de verkoopopbrengst over de in de verkoop betrokken zaken en heeft geoordeeld dat belanghebbende een hogere WEVAB dan de door de inspecteur vastgestelde WEVAB niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het hof is van oordeel dat het besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/3338M, niet rechtstreeks van toepassing is, omdat de woning van belanghebbende al was verkocht op het tijdstip waarop de beleidsregel werd uitgevaardigd. De inspecteur is er toch van uitgegaan dat de landbouwvrijstelling op belanghebbende van toepassing is. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de WEVAB van de ondergrond van de woning hoger was dan de door de inspecteur vastgestelde waarde. Verder is het hof van oordeel dat belanghebbende de WEVAB van de overige grond niet (voldoende) heeft betwist en niet aannemelijk heeft gemaakt dat de koopsom op een andere wijze moet worden uitgesplitst. De door B aan A betaalde koopprijs kan niet dienen als maatstaf voor de WEVAB die aan de verkochte grond ten tijde van de vervreemding kan worden toegekend. Het Hoger beroep wordt vervolgens ongegrond verklaard.

Meer informatie: Hof Amsterdam 3 december 2008, nr 07/00619

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.