Home

Achtergrond 257 x bekeken

Inbreng melkquotum in BV niet aangemerkt als overdracht onderneming

Omdat de inbreng van een melkquotum niet aangemerkt wordt als de overdracht van een onderneming kan er geen stakingslijfrente bij de ‘eigen’ BV bedongen worden. De lijfrenteaftrek van f 410.472 wordt daarom terecht geweigerd. Dit is de kern van een recente uitspraak van het gerechtshof te Den Bosch.

Stakingslijfrenten kunnen bedongen worden bij een verzekeringsmaatschappij of bij de bedrijfsopvolger. Zo’n bedrijfsopvolger kan de ‘eigen’ BV zijn. De onderneming moet dan daadwerkelijk aan de BV worden overgedragen en de BV moet de onderneming vervolgens ook voortzetten.

Volgens het gerechtshof in Den Bosch was dit niet het geval bij een melkveehouder die een stakingslijfrente wilde bedingen bij zijn ‘eigen’ BV. Er was sprake van een zogenoemd 'masterplan' en op het moment van het sluiten van de voorovereenkomst was al besloten tot verkoop aan derden van quotum en melkvee. Deze zaak geeft nog maar eens duidelijk aan dat een tijdige start nodig is om het gewenste fiscale resultaat te bereiken.

Kort samengevat is de aan de rechter voorgelegde zaak als volgt:

Een melkveehouder en zijn echtgenote oefenen in maatschapsverband een onderneming uit, bestaande uit een melkveehouderij, het houden van mestvee en de exploitatie van een minicamping. Op initiatief van de bank is het bedrijf gesaneerd, het melkquotum is verkocht, alsmede het melkvee en een stuk grond. Het melkquotum, verkoopprijs f 1.302.136, is in de tweede helft van 2000 geleverd, aansluitend zijn de melkkoeien verkocht. Op 1 juni 2000 is een voorovereenkomst tot oprichting van een bv gedagtekend en op 14 februari 2001 hebben de melkveehouder en zijn echtgenote ruisend hun onderneming ingebracht naar de toestand per 1 juni 2000.

Als tegenprestatie heeft de melkveehouder onder meer voor een bedrag van f 410.472 een lijfrente bedongen. De desbetreffende lijfrentepremie heeft belanghebbende afgetrokken van zijn stakingswinst op grond van art. 45, lid 7, onderdeel a, ten tweede, Wet IB 1964. De inspecteur schrapt deze aftrekpost en het hof bevestigt de uitspraak van Rechtbank Breda), waarbij de inspecteur in het gelijk was gesteld. Het hof overweegt daarbij dat, gelet op de timing van alle acties, er sprake was van een zogenoemd 'masterplan' en dat reeds was besloten tot verkoop aan derden van quotum en melkvee op 1 juni 2000. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is er geen sprake van overdracht van een onderneming in de zin van art. 45 Wet IB 1964. Het hoger beroep wordt vervolgens ongegrond verklaard.

Meer informatie:
Hof Den Bosch 28 augustus 2008, 06/00418
Rechtbank Breda 30 augustus 2006, nummer AWB 05/175

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.