Home

Achtergrond 289 x bekeken 1 reactie

Aanpassing bemesting op klei is nodig en mogelijk

Ondanks de beperkingen, blijft bemesten van kleigronden goed mogelijk, stelt onderzoeker Peter Dekker. Hij stelt onder meer voor de najaarsbemesting al in de zomer uit te voeren. Daarbij komt hij op aanpassing van de stikstofdoseringen en het gebruik van andere machines.

Dit jaar gaat de N-gebruiksnorm op kleigrond met 5 procent omlaag, is het niet meer toegestaan om drijfmest na 15 september toe te dienen en gaat in het najaar de werkingscoëfficiënt van de stikstof (N) in vaste kippenmest van 35 procent naar 55 procent. Deze aanscherping beperkt het gebruik van dierlijke mest op de kleigrond, omdat men juist op de kleigrond aangewezen was op de najaarsbemesting. De beperking is echter niet onoverkomelijk.

Meer dan in het verleden is een optimale benutting van stikstof in de mest sturend voor de mesttoepassing. Dit geldt voor zowel het tijdstip van toedienen, de keuze van de mestsoort en de toegepaste dosering. Wat het tijdstip van aanwenden betreft, zijn er twee mogelijkheden; in juli/augustus gecombineerd met de teelt van een groenbemester en in het voorjaar.

Bij de voorjaarstoediening moet de dosering afgestemd worden op de N-behoefte van de groenbemester. Veelal zal de gift beperkt blijven tot 15 ton varkensdrijfmest per hectare. Met een gift van 100 kilo N per hectare, een werkingscoëfficiënt van 60 procent wordt dan 60 kilo N-werkzaam per hectare gegeven en dit komt overeen met de gebruiksnorm voor de groenbemester. Door het telen van de groenbemester kan wel het volgende jaar 30 kilo N per hectare bespaard worden en dit geeft dan extra ruimte binnen de gebruiksnorm van dat jaar.

Uit onderzoek van WUR (PPO en PRI) blijkt dat ook op kleigrond voorjaarstoepassing van mest goed mogelijk is. De verplichting dat drijfmest in één werkgang moet worden uitgereden en ingewerkt, wordt wel als knellend ervaren. Er zijn nauwelijks mestmachines die voor dit doel ontwikkeld zijn. Feitelijk maakt de akkerbouw gebruik van graslandmachines. Bij toepassing in wintertarwe gaat de grootste belangstelling uit naar toepassing met het sleepslangaanvoersysteem.

De grote werkbreedte van 12 meter zorgt weliswaar voor een hoge capaciteit en het beperkt het aantal sporen, maar het maakt het wel lastiger om de mest goed in sleufjes toe te dienen. De sleepslangaanvoermachine moet daarom uitgerust zijn als zodenbemester en niet met sleepvoet of sleufkouter en zonodig moet de werkbreedte aangepast worden. Een nieuwe ontwikkeling is de toediening met een mesttank in combinatie met een aangedreven eg, waarbij de drijfmest op de grond wordt toegediend en meteen wordt ingeëgd. Het eggen doet geen schade aan de tarwe. Deze methode biedt perspectief, maar niet in wetgeving beschreven.

De voorjaarstoepassing van drijfmest in aardappelen kan zowel voor als na het poten. De toepassing voor het poten met een mestinjecteur, zoals dit op de zandgrond gebeurt, is op de klei niet mogelijk. Voor het poten kan het wel met een zodenbemester. Eventueel wordt de bovengrond eerst losgemaakt met een rotorkopeg om te zorgen dat er voldoende losse grond is om de mest in sleufjes in de grond te brengen.

Een tweede mogelijkheid is de toepassing na het poten, waarbij de mest met sterverkruimelaars gelijktijdig met de toediening wordt ingewerkt. Deze methode is door loonwerker Capelle uit Nagele ontwikkeld. Om bodemstructuurschade en opbrengstverlies te beperken, is het wel belangrijk dat de drijfmest onder droge veldomstandigheden wordt toegediend. Een nat voorjaar levert dan beperking op.
Bij het opstellen van het bemestingsplan moet een objectieve verhouding tussen N en P gevonden worden. De keuze van de meststof kan dan van belang zijn. Met runderdrijfmest wordt per kilo fosfaat meer stikstof en meer organische stof gegeven, maar de werkingscoëfficiënt van de stikstof is wel lager dan die van de varkensmest.

De 5 procent verlaging van de stikstofgebruiksnorm vraagt bij een aantal bedrijven om aanpassing van de N-bemesting. Uit het project Telen met toekomst blijkt dat de praktijk bij zomertarwe, zomergerst en zaaiui over het algemeen meer stikstof bemest dan de gewasnorm. Ook bedrijven met stikstofarme-grond hebben een hogere bemestingsbehoefte. Het perspectief van nieuwe meststoffen om tot een hogere N-benutting te komen, valt tot nu toe tegen. Oplossingsrichtingen moeten gevonden worden in de toepassing van groenbemesters, gedeelde en geleide bemesting en optimalisatie van het gebruik van dierlijke mest.

Administrator

Eén reactie

  • no-profile-image

    Leen

    Dit artikel lezend vraag ik me af wat de achtergrond van deze schrijver is en met welk recht hij deze uitlatingen doet. Enige kennis van de akkerbouw is hem vreemd waar hij in het voorjaar vóór of na het poten met bemestingsapparatuur over het land wil denderen. Denkt hij nu echt dat je de structuur van de grond (waar je als boer het hele jaar mee bezig bent) eerst kunt vernielen en er vervolgens nog een goed gewas op kunt telen? Wat een idioot. Dit artikel mist elk raakvlak met de agrarische praktijk en de onterecht getrokken conclusies raken kant noch wal. De enige correcte conclusie moet luiden dat het mestbeleid onwerkbaar begint te worden door te grote beperkingen in tijdstip en kwantiteit. Het wordt zo onmogelijk om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden.

Of registreer je om te kunnen reageren.