Home

Achtergrond 635 x bekeken

Waardesprong ondergrond bedrijfswoning én rundveestal belast

De waardesprong van waarde cultuurgrond naar de waarde (onder)grond bedrijfswoning en rundveestal is belast volgens een recente uitspraak van het gerechtshof in Arnhem. De uitspraak van het Hof levert voor het deel dat ziet op de (onder)grond bedrijfswoning geen verrassingen op. Sinds de beruchte 7 mei 2004 arresten van de Hoge Raad is wel duidelijk dat de (onder)grond van de bedrijfswoning niet kan delen in de zegeningen van de landbouwvrijstelling. Dit is het tweede artikel in de serie over de ondergrond van de bedrijfswoning.

Voor wat de (onder)grond van de rundveestal betreft, is de uitspraak van het Hof wel opmerkelijk. In de meeste gevallen is immers op de waardeontwikkeling van de (onder)grond bedrijfsgebouwen de landbouwvrijstelling van toepassing. Het is dan echter wel een vereiste dat er daadwerkelijk de intentie bestaat om ter plekke een landbouwbedrijf uit te oefenen. Dit bleek in het berechte geval niet zo te zijn. Omdat de rundveestal slechts als ‘noodzakelijke kwaad’ gebouwd is om een woning in het buitengebied te kunnen realiseren, heeft de daarmee gepaard gaande waardestijging zich niet voltrokken in het landbouwbedrijf in eigenlijke zin. Daarom is de landbouwvrijstelling niet van toepassing.

De uitspraak van het gerechtshof is kort samengevat de volgende:

Een ondernemer exploiteerde in het jaar 2002 een agrarische onderneming. Tot het vermogen van de onderneming behoort een perceel cultuurgrond dat als grasland in gebruik was. In verband met het voornemen van een dochter om op een gedeelte van het perceel (hierna: de bouwkavel) een pluimveebedrijf te starten, is op 27 juli 2000 een bouwvergunning afgegeven voor de bouw van een tweede bedrijfswoning en een pluimveestal. De dochter heeft uiteindelijk afgezien van de bouw van deze opstallen en het starten van een eigen onderneming. Op 25 maart 2002 is de bouwkavel met de daarvoor afgegeven bouwvergunning verkocht. De kopers van de bouwkavel bouwen een bedrijfswoning met rundveestal.

In geschil is of het verschil tussen de WEV-ondergrond woning en bedrijfsopstallen en de Wevab-cultuurgrond onder de landbouwvrijstelling valt. Het hof stelt zich met betrekking tot de (onder)grond van de bedrijfswoning op het standpunt dat door de aanwending van het grasland als bouwgrond voor de bouw van een bedrijfswoning, die grond wordt onttrokken aan de uitoefening van de landbouw in eigenlijke zin. De daarmee gepaard gaande waardeverandering van de grond kan niet worden toegerekend aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraken van de Hoge Raad van 7 mei 1997 en 7 mei 2004.

Het Hof overweegt letterlijk met betrekking tot de (onder)grond van de bedrijfsgebouwen het volgende:

“4.5 De Inspecteur heeft, door belanghebbende niet weersproken, in de stukken van het geding naar voren gebracht dat de dochter in werkelijkheid niet voornemens was ter plaatse een landbouwbedrijf te starten. Ook de kopers van de grond hebben de vestiging van een landbouwbedrijf slechts voorgewend om ter plaatse een woning te mogen bouwen. De bouw van, na wijziging van de bouwvergunning, een rundveestal heeft slechts plaatsgevonden om de bouw van de woning te kunnen realiseren. Tot op heden is ter plaatse geen landbouwbedrijf in de zin van artikel 3.12 van de Wet IB 2001 uitgeoefend.

4.6 Voor dit geding moet, nu het tegendeel niet is gebleken, van de juistheid van de in 4.5 vermelde stelling van de Inspecteur worden uitgegaan. Alsdan is naar het oordeel van het Hof geen reden om voor het gedeelte van de bouwkavel dat dient als ondergrond en erf voor de bedrijfsgebouwen anders te oordelen dan (Ȧ) voor de ondergrond en het erf van de woning.”

Met betrekking tot het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, overweegt het hof:

“4.8 Naar het oordeel van het Hof is van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. In dat verband acht het Hof aannemelijk (Ȧ) dat na het hiervoor genoemde arrest van 7 mei 1997 door de Belastingdienst een beleid wordt gevoerd dat inhoudt, dat bij verkoop of overbrenging van een bouwkavel van het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen, het verschil tussen de WEV en de Wevab als belaste winst moet worden aangemerkt. Voor de ondergrond van bestaande bedrijfswoningen gold dit beleid echter niet. Sinds de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004 stelt de Staatssecretaris van Financiën zich op het standpunt dat ook ter zake van de ondergrond van bestaande woningen de landbouwvrijstelling slechts van toepassing is op het verschil tussen de boekwaarde en de Wevab van de grond direct voorafgaand aan de bestemming tot ondergrond van de woning. Immers niet goed valt in te zien, aldus de Staatssecretaris, waarom de ondergrond van een nog te bouwen woning anders zou moeten worden behandeld dan die van een bestaande woning. Om de gevolgen van deze standpuntwijziging te verzachten is de in het Besluit [van 8 maart 2006, nr. CPP2005/338M, BNB 2006/197; samensteller] opgenomen overgangsregeling getroffen. Nu voor bouwkavels geen sprake was van een beleidswijziging, was er ook geen aanleiding om voor deze categorie een bijzondere regeling te treffen. Reeds hierom is naar het oordeel van het Hof geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.”

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landelijke landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Lees ook Verplaatsing bedrijfswoning levert belastingclaim op

Meer informatie Uitspraak Hof Arnhem, 13 augustus 2008, 07/00266

Meer informatie Uitspraak Hof Arnhem, 13 augustus 2008, 07/00234 Deze uitspraak is voor de medevennoot en is inhoudelijk hetzelfde als voor de besproken persoon onder uitspraaknummer 07/00235.

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, HR 29 april 2005, nummer 40.426

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 38.650

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 39.115

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 39.116

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 39.751

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 39.752

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nummer 39.963

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 1997, nummer 32.097

Niet gepubliceerd: Uitspraak Hoge Raad, 7 mei 2004, nr. 39.763

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.