Home

Achtergrond 107 x bekeken

Rechtbank corrigeert inspecteur en staatssecretaris over heffingsrente

De laatste jaren wil de fiscus eerder zijn geld hebben. Een voorlopige aanslag is regel, het is geen uitzondering meer. Bovendien betalen belastingplichtigen steeds vaker heffingsrente. Bedenk wel: rente is geen straf! Het is gewoon een vergoeding die iemand aan de schuldeiser (in dit geval de fiscus) betaalt. Vervelend is dat een privé-persoon of IB-ondernemer die rente niet kan opvoeren als aftrekpost. Ondernemers met een bv kunnen in de bv die rente wel aftrekken. De rechtbank van Breda wijst nu de inspecteur en de staatssecretaris terecht in een uitspraak op 3 juli 2008.

Maar omgekeerd?
Het kan ook omgekeerd. Wie te veel betaalde (of van wie teveel is ingehouden, denk aan de loon- of dividendbelasting), krijgt geld terug. Die teruggave zou dan ook met rente moeten gebeuren. Voor die situatie heeft de fiscus een slimmigheidje bedacht. Er komt geen voorlopige aanslag (met daarin de teruggave plus rente), maar men legt een ambtshalve aanslag op. Zonder rentevergoeding Bezwaar en beroep hiertegen zijn in beginsel niet mogelijk. En een verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag is niet meer aan de orde als het foutje al op andere wijze is weggepoetst!

Rechtbank Breda
De rechtbank van Breda stak een stokje voor deze kwalijke gang van zaken op 3 juli 2008 (AWB 07/5465). De Rechtbank besliste dat de inspecteur, door de vermindering van de voorlopige aanslag te baseren op artikel 65 AWR (de ambtshalve teruggave), van zijn bevoegdheid oneigenlijk gebruik heeft gemaakt. Met andere woorden: volgens de Rechtbank is ambtshalve teruggave helemaal niet bedoeld voor dit soort gevallen. En terecht! Want voor gevallen als de onderhavige bestaat een heel andere regeling. Namelijk, het opleggen van een nieuwe voorlopige aanslag. Met rente, dat spreekt!

De casus
Een bv betaalde haar voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2006 in 11 gelijke termijnen. Later (na de indiening van de aangifte vennootschapsbelasting) bleek deze voorlopige aanslag te hoog te zijn. In 2007 verminderde de inspecteur de voorlopige aanslag ambtshalve. Er werd over de vermindering invorderingsrente vergoed over de periode vanaf 1 januari 2007 tot de dagtekening van de verminderingsbeschikking. Over de periode van 1 juli tot 31 december 2006 is geen heffingsrente vergoed. De rechtbank besliste dat indien de inspecteur in plaats van een ambtshalve teruggave een (nadere) voorlopige aanslag zou hebben vastgesteld, er over de periode 1 juli 2006 tot het moment van teruggave rente zou zijn vergoed. Door daar niet voor te kiezen (maar voor de sluiproute van de ambtshalve vermindering) maakte de inspecteur, aldus de Rechtbank, oneigenlijk gebruik van zijn uit art. 65 AWR voortvloeiende bevoegdheid. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en berekende zelf de te vergoeden heffingsrente.

Moest van de baas!
De inspecteur gaf in deze procedure aan dat hij alleen maar deed wat zijn baas (de staatssecretaris in een besluit uit 1991) had beslist. Maar daar had de Rechtbank geen enkele boodschap aan. In de eerste plaats was dit besluit volgens de Rechtbank verouderd, en – belangrijker nog – is volgens de rechtbank de staatssecretaris van Financiën als uitvoerder van de belastingwet zelf ook gebonden aan de wet. Zelfs indien de staatssecretaris aan de inspecteur opdracht zou hebben gegeven te handelen zoals hij heeft gedaan, zou het oordeel van de rechtbank hetzelfde luiden. En daar kon de belastingdienst het mee doen.

Wat nu?
Het moet niet leuk zijn voor de staatssecretaris om van de Rechtbank te horen te krijgen (in diplomatieke bewoordingen, maar toch) dat hier sprake is van oneigenlijk gebruik van een bevoegdheid. De grens tussen oneigenlijk gebruik en misbruik is immers erg dun. Belangrijk is natuurlijk hoe het nu verder gaat. Eerste vraag: komt er hoger beroep? Telefonische navraag bij de rechtbank van Breda leerde dat dit inderdaad het geval is. De staatssecretaris berust blijknaar niet in zijn verlies en de kwalificatie ‘oneigenlijk gebruik van een bevoegdheid’.

Niets is dus nog zeker, maar dat wil niet zeggen dat u het zich kunt veroorloven om stil te zitten. Het is al erg genoeg dat er tussen de beslissing van de rechtbank en de publicatie van deze beslissing al meer dan 6 weken zijn verstreken. Iedere ondernemer die de laatste tijd geld heeft teruggekregen (en belangrijker nog: degenen die zo’n teruggave binnenkort tegemoet kunnen zien) omdat er een ambtshalve teruggave plaats heeft gevonden, moet nu nagaan of er voor hem nog een bedrag aan rente terug te ontvangen valt.

Hij of zij zal er wel om moeten vragen, want spontaan zal er bitter weinig gegeven worden. Bedenk verder dat de ondernemer tijdig (!!!) – zoals in deze zaak – bezwaar moet maken tegen de (impliciete) afwijzing van het verzoek om rente te vergoeden. Want is de periode voor het maken van bezwaar verstreken, dan moet de ondernemer er maar niet meer op rekenen dat er nog iets terugkomt. Al vormt ook dat (in mijn ogen) oneigenlijk gebruik van een bevoegdheid die de staatssecretaris en in het verlengde daarvan zijn inspecteurs hebben.

mr. S.F.J.J. Schenk, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de GIBO Groep en voorzitter van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs

Lees ook Goedkeuringen voor heffingsrente in een nieuw besluit

Meer informatie Uitspraak Rechtbank Breda , 3 juli 2008, AWB 07/5465

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.