Home

Achtergrond 96 x bekeken

Discussie met verkeerde argumenten

De commotie vanuit de landbouw over de houding van de provincie Groningen tegen nieuwvestiging van intensieve veehouderijen is onterecht, vindt Willem Bruil, directeur van het Instituut voor Agrarisch Recht in Wageningen. Hoewel Groningen volgens hem een uitgelezen locatie is voor grote veebedrijven, worden er verkeerde argumenten gebruikt in de discussie.

De provincie Groningen heeft in het nieuwe omgevingsplan opgenomen dat nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in de provincie niet gewenst is. Daar is enige commotie over ontstaan in landbouwkringen. Daar worden allerlei zaken bijgehaald: de nieuwe Wet ruimtelijke ordening die dit mogelijk zou maken, het beleid inzake de megastallen op landelijk niveau enzovoorts.

Ik wil er om te beginnen op wijzen dat het beleid om nieuwvestiging van agrarische bedrijven - de intensieve veehouderij in het bijzonder - tegen te gaan helemaal niet nieuw is. In verreweg de meeste bestemmingsplannen voor het buitengebied is dat al sinds de vorige ’roze invasie’ in de jaren 90 opgenomen. Ook in een groot aantal provinciale streekplannen was dit restrictieve beleid al heel lang standaard: geen nieuwe bouwblokken in het buitengebied. Dat daar enige verandering in is gekomen door de aanwijzing van landbouwontwikkelingsgebieden, waar ineens wel weer nieuwvestiging mogelijk was, verandert niets aan de hoofdlijnen van het grootste deel van het regionale ruimtelijk beleid.

Vooral Groningen, Zeeland en Flevoland hebben altijd al een hekel gehad aan varkens en kippen. Dat heeft dus ook met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening niets te maken. Er is door die wet wel iets veranderd. Zo kunnen provincies nu ook bestemmingsplannen vaststellen. Maar ook onder de oude wet konden provincies hun beleidsuitgangspunten doorzetten. Ook de discussie over megastallen heeft er niet zoveel mee te maken. Natuurlijk is het gemakkelijker om tegen grote industriële complexen te zijn dan tegen kleine bedrijfjes, maar waar het wezenlijk om gaat is dat men in Groningen vindt dat nieuwvestigingen met intensieve veehouderij niet passen in de Groningse ruimte.
Verder wordt in de discussie het Nimby-verschijnsel van stal gehaald. Groningen wordt het not in my backyard-sentiment verweten. Als alle provincies dat zouden doen, zou er nergens meer intensieve veehouderij gevestigd kunnen worden.

Ik wijs er op dat het Nimby-verschijnsel tot nu toe gereserveerd was voor ruimtelijke projecten, waarvan iedereen wel vindt dat ze noodzakelijk zijn, maar die toch niemand in zijn achtertuin wil, zoals bijvoorbeeld een vuilverbrandingsinstallatie. Dat geldt niet voor de intensieve veehouderij. Vrijwel niemand vindt dat grootschalige intensieve veehouderij per definitie een plaats zou moeten krijgen. Ook niet ergens anders dan in de eigen achtertuin. Een laatste misverstand is dat Groningen de intensieve veehouderij op slot zet. Dat is niet juist: bestaande bedrijven mogen, uiteraard binnen zekere grenzen, uitbreiden. De discussie zou dus, ook in Groningen, over ruimtelijke kwaliteit moeten gaan. Gedeputeerde Calon kan de emotionele weerstand tegen de intensieve veehouderij niet goed verbergen, maar probeert toch ook ruimtelijke argumenten aan te voeren. Zo is hij ook tegen nieuwe industrieterreinen.

Zelf zou ik menen dat als al ergens grootschalige intensieve veehouderij in de ruimtelijke structuur past, dat in Zeeland, Flevoland en Groningen is. Ik zie weinig ruimtelijke bezwaren tegen de vestiging van een agro-industrieel veehouderijcomplex in bijvoorbeeld de haven van Delfzijl. Maar ik begrijp en respecteer dat men daar in Groningen anders over denkt.
En, het moet maar weer eens gezegd, de sector zelf draagt er niet veel aan bij om de Groningers op andere gedachten te brengen.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.