Home

Achtergrond 159 x bekeken

Afschrijvingstermijn monumentenpand is 100 jaar

Monumentenwoningen zijn net als monumentale boerderijen vaak eeuwen oud. Als er sprake is van een monumentenwoning in de zin van de monumentenwet, is het de vraag hoe de afschrijvingstermijn berekend moet worden. Het gerechtshof in Arnhem stelde de resterende bouwkundige levensduur van een monumentenwoning (in de zin van de Monumentenwet) op 100 jaar in een verwijzingsuitspraak op 16 april 2008.

De uitspraak over de levensduur van de monumentale woning betekent dat de eigenaresse van het betreffende pand een aftrekbare afschrijving van 1% van de aanschafprijs ten laste van haar inkomen over 2001 mag brengen. De eigenaresse had in haar aangifte inkomstenbelasting een afschrijving van 3% van de aanschafprijs van opstal (€190.000) in aanmerking genomen (€5.700).

De inspecteur beperkte de afschrijving tot €555. De inspecteur had de bouwkundige levensduur van de uit 1767 stammende woning op minstens 343 jaar gesteld. Hij had voor deze termijn echter geen nadere onderbouwing gegeven. Wel wees hij daarbij op een instandhoudingsverplichting voor de monumentenwoning krachtens de Monumentenwet.

De eigenaresse was van mening dat de bouwkundige levensduur primair op 33 jaar en subsidiair op 50 jaar moest worden gesteld, onder meer omdat in de vakliteratuur werd uitgegaan van een afschrijvingspercentage van 2,5 tot 3. De woning was vrij recent geheel gerenoveerd en uitstekend onderhouden. Voor de monumentenwoning gold immers de instandhoudingsverplichting uit de Monumentenwet.

Alles tegen elkaar afwegende was het hof van oordeel dat het redelijk was om van een resterende bouwkundige levensduur van 100 jaar uit te gaan. Vanaf 1 januari 2004 bedraagt de afschrijving volgens een delegatiebepaling in de Wet Inkomstenbelasting 2001 overigens 15% van het bruto eigenwoningforfait.

De afschrijving van de eigen monumentenwoning moet voor de jaren 2001 tot en met 2003 op een andere wijze worden berekend dan voor de jaren 2004 en daarna. De procedure ging over de vraag wat de resterende bouwkundige levensduur is van een monumentenwoning (in de zin van de Monumentenwet). Het hof in Leeuwarden had de duur op 50 jaar gesteld. De Hoge Raad heeft deze uitspraak van Hof Leeuwarden vernietigd omdat het hof op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven op welke deze factoren in de afschrijvingstermijn van 50 jaar zijn verwerkt. De Hoge Raad verwees de procedure vervolgens op dit punt naar Hof Arnhem.

De woning was vrij recent geheel gerenoveerd en werd zeer goed onderhouden. Dit pleitte ervoor om een lange, resterende bouwkundige levensduur in aanmerking te nemen. Alles tegen elkaar afwegende was het hof van oordeel dat het redelijk was om van een resterende bouwkundige levensduur van 100 jaar uit te gaan. Dit betekende dat de eigenaresse van de betreffende monumentenwoning een aftrekbare afschrijving van 1% van de aanschafprijs (€1.900) ten laste van haar inkomen over 2001 mocht brengen.

Voor en na 2004
De afschrijving van de eigen monumentenwoning over de jaren 2001 tot en met 2003 moet overigens op een andere wijze worden berekend dan voor de jaren 2004 en daarna. Vanaf 1 januari 2004 bedraagt de afschrijving volgens een delegatiebepaling in de Wet Inkomstenbelasting 2001 15% van het volgens deze bepaling berekende bruto eigenwoningforfait van de monumentenwoning.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Lees ook Zoekresultaten op Agrocount.nl met trefwoord ‘monumenten’

Meer informatie Uitspraak Hof Arnhem, 16 april 2008

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.