Home

Achtergrond 292 x bekeken

Erfpacht en overdrachtsbelasting

Veel agrariërs hebben grond in erfpacht. Bij erfpacht speelt ook de overdrachtsbelasting altijd een belangrijke rol. Overdrachtsbelasting wordt namelijk niet alleen geheven bij de aankoop (verkrijging) van in Nederland gelegen onroerende zaken, maar ook bij de verkrijging van bepaalde beperkte rechten waaraan deze zaken zijn onderworpen.

Bepaalde beperkte rechten zijn bijvoorbeeld de rechten van erfpacht, opstal en vruchtgebruik. De beëindiging of wijziging van zo’n beperkt recht leidt in beginsel ook tot heffing van overdrachtsbelasting. Voor een wijziging van een beperkt recht geldt een fictie. Het wordt beschouwd als het afstand doen van dat recht tegen een verkrijging van een nieuw recht. De overdrachtsbelasting wordt dan geheven over het waardeverschil tussen beide rechten. Houdt de wijziging van het beperkte recht uitsluitend een wijziging van de schuldplichtigheid in, bijvoorbeeld alleen de hoogte van de erfpachtcanon wijzigt, dan wordt het verschil tussen beide rechten op nihil gesteld.

In een uitspraak van de rechtbank in Haarlem over de voortzetting van een recht van erfpacht kwamen al deze elementen aan de orde. De zaak is kort weergegeven de volgende:

Drie erfpachters hadden voor enkele grondpercelen erfpachtcontracten afgesloten voor de duur van 30 jaar. Het erfpachtcontract was in 1976 ingegaan en eindigde op 1 november 2006. De grondeigenaar had in een brief van 24 augustus 2004 verklaard er mee in te stemmen dat het erfpachtcontract onder dezelfde voorwaarden zal worden verlengd voor een periode van 30 jaar. Bij notariële akte van verlenging van erfpacht werden de drie erfpachtrechten gewijzigd. De notariële akte dateerde van 23 november 2006. Daarbij werd op aangifte een bedrag van €9.330 aan overdrachtsbelasting voldaan.

De erfpachters maakten bezwaar tegen de voldane overdrachtsbelasting. Zij stelden dat ze destijds voortdurende erfpachtrechten hadden verkregen en dat slechts de jaarlijkse vergoeding was gewijzigd. Volgens hen was de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting (het verschil tussen de oude en de nieuwe erfpachtrecht) nihil.

De inspecteur vond dat sprake was van tijdelijke rechten die eindigden op 1 november 2006 en niet van voortdurende rechten. Verder zou geen sprake zijn van slechts een wijziging van de schuldplichtigheid. De rechtbank stelde voorop dat het de vraag was of de notariële akte van 23 november 2006 gezien moest worden als een wijziging van beperkte rechten of als een vestiging van nieuwe beperkte rechten.

De rechtbank was van oordeel dat de erfpachters destijds geen voortdurende erfpachten hadden gekregen. De erfpachtrechten liepen af op 1 november 2006. Na deze datum werden de erfpachtrechten weer voor de duur van 30 jaar gevestigd. De brief van 24 augustus 2004 bracht de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit de brief was alleen af te leiden dat de grondeigenaar bereid was om voor een nieuwe periode van 30 jaar een erfpachtrecht af te geven. Uit de brief was niet af te leiden dat het erfpachtrecht van een tijdelijk recht was omgezet in voortdurende rechten.

Ook de stelling van de pachters dat ten opzichte van de oude erfpachtrechten niets was veranderd behalve de hoogte van de canon, trof geen doel. De oude erfpachtrechten waren namelijk opnieuw voor een periode van 30 jaar uitgegeven. De rechtbank merkte nog op dat, ook al zou een verlenging van de erfpachtrechten worden aangenomen, toch een te belasten waardeverschil tussen de oude en nieuwe rechten zou overblijven. Naast een wijziging van de hoogte van de canon was namelijk ook de duur van de erfpachtovereenkomst gewijzigd. De rechtbank stelde de inspecteur in het gelijk.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Lees ook Zoekresultaten op Agrocount.nl met trefwoorden ‘erfpacht’ en ‘overdrachtsbelasting’

Meer informatie Uitspraak Rechtbank Haarlem, 24 april 2008

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.