Home

Achtergrond 80 x bekeken

Borgstelling vader aan BV zoon is niet ongebruikelijk

In deze zaak heeft schoonvader zich borggesteld voor een banklening aan de BV, groothandel in en het prepareren van bloembollen, van zijn schoonzoon. Nu de BV failliet is, spreekt de bank hem aan tot betaling van de schuld. Deze betaalt hij, maar wil deze als resultaat uit overige werkzaamheden aftrekken van zijn inkomen. De rechtbank staat dat niet toe, aangezien er volgens de rechtbank niet sprake is geweest van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

Schoonvader heeft zich op 8 juni 2008 voor € 34.033,= borg gesteld voor een banklening die verstrekt is aan de BV van zijn schoonzoon. Op 16 juli 2003 wordt de BV failliet verklaard en wordt de schoonvader door de bank aangesproken tot betaling van die schuld. Hij betaalt die door tussenkomst van zijn BV. De schoonvader wil dat bedrag via afboeking op de regresvordering als resultaat van overige werkzaamheden aftrekken. Dat kan alleen als er sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling.

Voor de beoordeling van het gebruikelijkheidscriterium zijn hier de omstandigheden van belang ten tijde van het aangaan van de borgstelling en het verstrekken van de kredietfaciliteiten in 1998 tussen de BV en de bank. Uit de borgstellingsovereenkomst blijkt dat deze een voorwaarde vormde en derhalve direct verband hield met het verstrekken van de kredietfaciliteiten door de bank aan de BV Beide partijen zijn van mening dat de in 1998 door de bank aan de BV verstrekte kredietfaciliteiten als zakelijk, in de zin van een tussen onafhankelijke partijen gesloten overeenkomst, kan worden aangemerkt. Derhalve is geen sprake van een situatie dat bij het aangaan van de borgtocht in 1998 al vaststond dat de bank eiser als borg zou aanspreken.

Naar het oordeel van de rechtbank is zowel de kredietverschaffing als het sluiten van de daarmee verbandhoudende borgstellingsovereenkomst op zich niet ongebruikelijk. Juist niet bij de bestaande familierelatie van (schoon)vader en (schoon)zoon. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij dergelijke overeenkomsten de borgtochtverplichtingen juist worden aangegaan ten behoeve van vennootschappen waarvan naaste familieleden aandeelhouder zijn. Van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling gegeven de familierelatie is derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Het achterwege blijven van een borgstellingprovisie maakt het volgens de rechtbank nog geen ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Zeker niet aangezien het in deze zaak een vergoeding zou bedragen van slechts € 340.

Meer informatie Volledige uitspraak van de rechtbank Den Haag, 27 februari 2008 (publicatie 21 mei 2008)

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.