Home

Achtergrond 180 x bekeken

Bouwblok toch agrarisch?

Een agrariër koopt in 1982 een perceel grond met een ‘bouwkop’, een gedeelte om een bedrijfswoning op te bouwen. De zaak draait er om dat dit stukje landbouwgrond bebouwd wordt en tevens van de onderneming naar privé gaat. De agrariër meent dat hij het gedeelte grond voor de woning al als bouwgrond gekocht heeft en er destijds al extra voor betaalde. De zaak komt voor de tweede keer voor de Hoge Raad, die op 31 januari 2008 uitspraak doet.

In 1998 vroeg de agrariër (tuinder) een bouwvergunning aan en brengt de bouwkop over naar zijn privévermogen. In geschil is of de onttrekking van de grond naar privé een fiscale bestemmingswijziging(swinst) meebrengt die niet valt onder de landbouwvrijstelling.

In de eerste cassatieronde in deze zaak (HR 29 april 2005, BNB 2005/210) oordeelde de Hoge Raad dat als op grond die bij een landbouwbedrijf behoort een woning wordt gebouwd, die ondergrond wordt onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dat is in lijn met de ‘7 mei arresten’ (HR BNB 2004/335-338).

Na verwijzing constateerde Hof Amsterdam wel een fiscale bestemmingswijziging, maar zag het geen of onvoldoende causaal verband met de waardestijging van de ondergrond, zodat het beroep van de tuinder gegrond werd verklaard. De staatssecretaris van Financiën stelde tegen die hofuitspraak cassatieberoep in, terwijl de tuinder incidenteel cassatieberoep instelde.

De advocaat-generaal (A-G) analyseert de bestemmingswijzigingsrechtspraak van de Hoge Raad. Het gaat dan om de fiscaalrechtelijke duiding van het begrip bestemmingswijziging (wordt het perceel door de bouw onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin) en de verhouding tussen de zogenoemde ‘wonen is wonen’-rechtspraak (HR BNB 1996/310 en 311) en de nadien gewezen ‘7 mei arresten’ (HR BNB 2004/335-338. De laatste arresten zeggen dat er van een fiscale bestemmingswijziging geen sprake is, als de ondernemer na staking blijft wonen in de woning waarin hij ook voor staking woonde.

De A-G concludeert dat de Hoge Raad het moment van fiscale bestemmingswijziging (de bouw) onderscheidt van het moment van realisatie daarvan (onttrekking of verkoop) en dat bij fiscale bestemmingswijziging als gevolg van de bouw van een woning op voorheen in het landsbouwbedrijf in eigenlijke zin gebruikte grond zich drie situaties kunnen voordoen. De drie situaties zijn:
1) de fiscale bestemmingswijziging (de bouw) valt samen met realisatie/onttrekking;
2) de fiscale bestemmingswijziging valt niet samen met realisatie/onttrekking omdat de ondergrond als keuzevermogen in het ondernemingsvermogen blijft;
3) de ondergrond krijgt weliswaar meer bestemmingsmogelijkheden, bijvoorbeeld door wijziging van het bestemmingsplan, maar van fiscale bestemmingswijzing of onttrekking is geen sprake omdat het feitelijke gebruik niet wijzigt.

De A-G acht het incidentele cassatieberoep (van de tuinder) ongegrond, omdat door het hof terecht een fiscale bestemmingswijziging is geconstateerd. Op agrarische grond komt een woning te staan, zij het behorend bij een agrarisch bedrijf. Hij acht het principale beroep (van Financiën) gegrond, omdat nu uit HR BNB 1999/143 en 144 volgt dat het hof ten onrechte dacht dat de waardestijging niet het gevolg was van de onttrekking naar privé. De woning kan puur privé bewoond gaan worden. Zowel de onttrekking naar privé als het bouwen op landbouwgrond zorgen voor een waardestijging. Er volgt verwijzing naar een ander gerechtshof.

Lees ook Zoekresultaten op Agrocount.nl met trefwoorden ‘landbouwvrijstelling hoge raad’

Meer informatie Uitspraak Hoge Raad, 31 januari 2008

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.