Home

Achtergrond 116 x bekeken

Proefprocedures bedrijfsopvolgingsfaciliteit Successierecht

De eerste uitspraken in de proefprocedures over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in het successierecht zijn bekend.

In de proefprocedures over de toerekening van de inkomstenbelastinglatentie hebben de procederende ondernemers in een viertal uitspraken van de rechtbank Haarlem het gelijk aan hun kant gekregen.

De inkomstenbelastinglatentie moet volgens de rechtbank evenredig toegerekend worden aan de totale waarde van de onderneming. De stelling van de inspecteur dat de latentie toegerekend moet worden aan de “top” van de waarde van de onderneming wordt niet gevolgd door de rechter. Als gevolg van deze uitspraken valt de berekening van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit gunstiger uit.

De inspecteur heeft inmiddels Hoger Beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechter. Het gerechtshof – en uiteindelijk de Hoge Raad - zal uiteindelijk definitief de knoop moeten doorhakken.

De uitspraak van de rechtbank in een van de vier aangespannen zaken is kort samengevat de volgende:

Een erfgename erft onder andere ondernemingsvermogen en zij vraagt om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van de successiewet. In geschil is de toerekening van de latente belastingschulden aan de geconserveerde waarden. De rechtbank oordeelt dat het verkregen ondernemingsvermogen en de daarmee samenhangende latente inkomstenbelastingschuld tot de te conserveren waarden behoorden. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord hoe de latente belastingschuld over het voorwaardelijk onbelaste deel van de verkrijging en anderzijds het voorwaardelijk belaste gedeelte moet worden verdeeld. Onder verwijzing naar onderdeel D2 van het besluit van 16 maart 2004, nr. CPP2003/1717M, rekent de inspecteur de belastinglatentie hoofdzakelijk toe aan de te conserveren waarde van art. 35c, lid 1, SW 1956, en vervolgens aan de te conserveren waarde van het tweede lid van dit artikel, omdat stille reserves zich ‘in boekhoudkundige zin aan de top van de waarde bevinden'. De rechtbank is van oordeel dat voor toepassing van de faciliteit de onderneming als geheel in de beschouwing moet worden betrokken en ziet niet in waarom de latent verschuldigde inkomstenbelasting zoveel mogelijk aan de voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarden van art. 35c, lid 1 en 2, SW 1956 moet worden toegerekend. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de latente belastingschulden naar evenredigheid moeten worden verdeeld over de drie te conserveren waarden van art. 35c, lid 1-3, SW 1956. Het beroep wordt vervolgens gegrond verklaard.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landelijke Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.