Home

Achtergrond 365 x bekeken

Vordering na verkoop grond is verplicht ondernemingsvermogen

Hoort de vordering die ontstaat door de verkoop van grond tot het verplichte ondernemingsvermogen of niet? De Hoge Raad beantwoordde deze vraag op 17 oktober in bevestigende zin. Dit arrest is van belang voor iedere ondernemer die grond heeft verkocht of gaat verkopen waarbij een toekomstige (bij)betaling in het verschiet ligt. De waardeveranderingen van dergelijke vorderingen en de uiteindelijke (bij)betalingen worden op grond van dit arrest belast als winst uit onderneming.

In het verleden zijn er regelmatig afspraken gemaakt tussen ondernemers en de Belastingdienst, waarbij dit soort vorderingen tegen een geschatte waarde naar het privévermogen zijn overgebracht. Deze werkwijze blijkt nu volgens de Hoge Raad niet juist te zijn geweest. Natuurlijk wordt er niet teruggekomen op gemaakte afspraken, maar soortgelijke nieuwe afspraken mogen op basis van de nieuwe jurisprudentie niet meer gemaakt worden. De door de Hoge Raad berechte situatie is samengevat de volgende:een veehouder verkocht in 1998 de tot zijn ondernemingsvermogen behorende grond aan een gemeente. Op 23 oktober 1998 is de economische eigendom van de grond geleverd aan de gemeente. De veehouder heeft zich een gebruiksrecht voorbehouden voor de duur van 73 maanden. De koper was verplicht direct ƒ5,6 miljoen te voldoen en ƒ1,4 miljoen bij het leeg en ontruimd opleveren van het verkochte.

Partijen verschillen van mening over de waarde van het gebruiksrecht en over de vraag of de vordering van belanghebbende op de gemeente van ƒ1,4 miljoen tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende moet worden gerekend. Het hof van Arnhem stelde de inspecteur op deze punten in het gelijk. Het hof leidde uit de gang van zaken af dat de waarde van het door belanghebbende bedongen gebruiksrecht niet meer bedraagt dan ƒ99.484.

Met betrekking tot de etikettering van de vordering is het hof van oordeel dat deze vordering verplicht ondernemingsvermogen vormt. Nu de vordering voortvloeit uit de verkoop van een bedrijfsmiddel, is het in strijd met de redelijkheid om de vordering tot het privévermogen te rekenen. De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. De uitspraak van het Arnhemse hof is juist.

Let op: bovenstaande uitspraak geldt ook voor degenen die na de verkoop de onderneming beëindigd hebben. De vordering blijft immers tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren. Een daadwerkelijke uitbetaling wordt dan ook belast als nagekomen bedrijfsbaten. Dit kan alleen anders liggen als er in het verleden andersluidende afspraken met de fiscus zijn gemaakt. De uitspraak van de Hoge Raad op 17 oktober 2008, nr. 07/13026 is (nog) niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landelijke Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Lees ook Vordering na verkoop grond is verplicht ondernemingsvermogen (n.a.v. uitspraak Hof Arnhem, nr. 05/00238)

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.