Home

Achtergrond 238 x bekeken

Huurrecht woning ten laste van winst

Een ondernemer mag de huurkosten die toegerekend kunnen worden aan de werkruimte in de huurwoning, ten laste van de winst brengen, zo bepaalde het gerechtshof van Amsterdam in een recente uitspraak.

Tot en met het jaar 2004 bevatte de Wet inkomstenbelasting 2001 een wetsbepaling, waardoor feitelijk de aftrek van (een deel van de) huurkosten van een in privé gehuurde woning was uitgesloten, óók voor zover deze kosten betrekking hadden op een (fiscaal in aanmerking komende) werkruimte ten behoeve van de eigen onderneming. Een ondernemer kon dus in het geheel geen huurlasten als zakelijke lasten in aanmerking nemen als hij de huurovereenkomst als privépersoon had afgesloten, maar wel als hij de huurovereenkomst in zijn hoedanigheid als ondernemer had afgesloten.

Met ingang van 1 januari 2005 is de wet op dit punt evenwichtiger gemaakt en zijn kosten in verband met een in privé gehuurde woning beperkt aftrekbaar. Na het afsluiten van de huurovereenkomst moet een ondernemer in zijn belastingaangifte nog een keuze maken of hij het huurrecht tot zijn privévermogen wil rekenen of tot zijn ondernemingsvermogen. Een eenmaal gemaakte keuze is onomkeerbaar, wanneer de belastingaanslag over het jaar waarin de ondernemer de keuze moest maken, onherroepelijk vaststaat.

Vóór 2005 was deze vermogensetikettering (privé- of ondernemingsvermogen), vanwege de toenmalige wettelijke regeling voor de aftrek van huurkosten, van doorslaggevend belang. Als een keuze niet ondubbelzinnig uit de aangiftestukken blijkt, kan toch nog aftrek van huurkosten van een in privé gehuurde woning mogelijk zijn. Illustratief hierbij is een uitspraak van Hof Amsterdam.

De zaak was als volgt:

Een man was in 2004 huurder van een woning. Een deel van de woning (25%) gebruikte hij als kantoorruimte voor zijn als eenmanszaak gedreven onderneming. In zijn aangifte over 2004 bracht hij 25% van de huisvestingskosten ten laste van de winst. De inspecteur corrigeerde echter de aftrek van de huisvestingskosten. Hij was van mening dat het huurrecht tot het verplichte privévermogen behoorde.

Ook als er sprake zou zijn van keuzevermogen, zou de ondernemer gebonden zijn aan zijn in het verleden gemaakte keuze. Hij had er volgens de inspecteur in de jaren vóór 2004 voor gekozen om het huurrecht als privévermogen aan te merken, omdat hij in die jaren steeds een kwart van de huisvestingskosten ten laste van de winst bracht. Op deze keuze kon de man niet meer terugkomen, nu deze aanslagen al onherroepelijk vaststonden. Rechtbank Haarlem stelde de inspecteur in het gelijk. De zaak kwam vervolgens voor het hof van Amsterdam.

Het hof was van mening dat vanwege het gemengde gebruik van de woning (75% privé, 25% voor de zaak) het huurrecht tot het keuzevermogen behoorde. Dit houdt in dat een ondernemer binnen de grenzen van de redelijkheid blijft, wanneer hij het huurrecht van de woning als ondernemingsvermogen aanmerkt. Het hof verwierp hiermee het standpunt van de inspecteur over de verplichte etikettering als privévermogen. De inspecteur erkende voor het hof dat de man ook vóór 2004 het huurrecht als ondernemingsvermogen mocht aanmerken, als sprake er sprake was van keuzevermogen.

Het hof stelde vast dat de betrokken ondernemer in zijn belastingaangiften vóór 2004 steeds 25% van de huisvestingskosten ten laste van de winst had gebracht. Dat bedrag stemde overeen met het bedrag dat ten laste van de winst kon worden gebracht als eerst de volledige huur ten laste van de winst was gekomen en vervolgens een correctie van 75% voor het privégebruik werd aangebracht.

Het hof was voorts van oordeel dat het de ondernemer niet kon worden tegengeworpen dat het huurrecht niet was geactiveerd. Er waren in het verleden kennelijk geen verbouwingen van het pand geweest die tot activering van het huurrecht noopten. Op grond hiervan nam het hof aan dat de ondernemer het huurrecht als ondernemingsvermogen wilde aanmerken. Het hof vond hierbij twee omstandigheden van belang. De belastingdienst had in de jaren 2001 tot en met 2003 aan de ondernemer aangiftebiljetten (zogeheten O-biljetten) uitgereikt, waarbij niet werd verzocht om jaarstukken toe te zenden. Met het toezenden van deze aangiftestukken verlangde de belastingdienst kennelijk geen vastlegging van de gemaakte keuze. En ook al zou het huurrecht vóór 2001 als privévermogen zijn aangemerkt, dan vormde de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 een bijzondere omstandigheid die een keuzeherziening rechtvaardigde.

Het hof kwam tot het oordeel dat het huurrecht niet tot het privévermogen van de ondernemer behoorde. Daardoor was de wetsbepaling die de aftrek van huurkosten van een (in aanmerking komende) werkruimte feitelijk uitsloot, niet van toepassing. Het hof stelde de man in het gelijk.

Eigen woning
Voor ondernemers met een eigen woning met daarin een kantoorruimte voor de eigen onderneming geldt ook een aftrekbeperking. De aftrek bij de onderneming bedraagt ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat bij de ondernemer voor deze bestanddelen in aanmerking wordt genomen zonder rekening te houden met het heffingvrije vermogen in box 3.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landelijke Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Lees ook Toch kostenaftrek voor werkruimte in privéwoning

Meer informatie Uitspraak Hof Amsterdam, 1 oktober 2008: nr. 07/00839 en 07/00840

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.