Home

Achtergrond 1105 x bekeken

Derde landbouwcrisis tekent zich af

De agrarische sector krijgt een derde, wereldwijde crisis te verwerken, voorspelt hoogleraar Rurale Sociologie Jan Douwe van der Ploeg. Juist bij een exportlandbouw als die van Nederland, zal dat hard aankomen. Vooralsnog blijft het in de sector echter verontrustend stil over dit onderwerp.

In de Nederlandse land- en tuinbouw wordt nauwelijks serieus gepraat en nagedacht over de mogelijke gevolgen van de financiële en economische crisis, die steeds verder om zich heen grijpt. Deze algemene crisis vertaalt zich naar de landbouw: ze versterkt de crisis die daar al langer sluimert.

Bij LTO, maar ook in de wereld van landbouwpolitiek en landbouwwetenschap, heerst evenwel stilte. Dat is verbazingwekkend, maar ook verontrustend. Natuurlijk is er heel veel dat men niet weet. De ontplooiing en afloop van deze crisis zijn ongewis. Maar er is ook een aantal zaken wél helder. Dat ook daarover wordt gezwegen, is veelzeggend. Het gaat immers om ontwikkelingen die in de afgelopen tien jaar actief zijn aangejaagd, maar die nu resulteren in een molensteen om de nek.

Een vergelijking met vorige landbouwcrises kan een aantal belangrijke inzichten opleveren. In 1880 werd Noordwest-Europa overspoeld met goedkope bulkproducten, vooral graan uit de VS. Die importen luidden de eerste grote landbouwcrisis in. Op die crisis kwam geleidelijk aan ook een duidelijk antwoord: overschakeling naar producten met een hogere waarde (vlees, tuinbouwproducten, zuivel). Het goedkope graan werd zo omgezet in een voordeel.

De tweede grote landbouwcrisis, die van de jaren '30 uit de vorige eeuw, vloeide voort uit een omvangrijke daling van de koopkracht (een gevolg van de beurskrach in 1929). Ook hierop kwam een antwoord: de creatie van een landbouwpolitiek stelsel, dat geleidelijk aan werd uitgebouwd en verbeterd.

Sinds het begin van dit decennium tekent zich geleidelijk aan een derde, wereldwijde agrarische crisis af. Goedkope importen en koopkrachtdaling doen zich nu gelijktijdig voor. Maar het gaat niet meer om de import van goedkope bulkproducten zoals in 1880. Het gaat nu juist om de 'duurdere' producten die elders (met zeer goedkope arbeid, op goedkope grond, en zonder al te veel milieuzorg) worden geproduceerd. Asperges uit Peru, kippenvlees uit Thailand, varkensvlees uit Brazilië – de lijst kan naar believen verder worden aangevuld.
Het klassieke antwoord uit 1880 werkt dus niet meer. En het antwoord uit 1930 kan evenmin in stelling worden gebracht: de landbouwpolitiek is immers in het kader van de liberalisering in verregaande mate gedemonteerd.

Op dit moment ontstaan rond deze op zich al zorgelijke situatie vier nieuwe complicaties, die al met al een dramatische verslechtering in de landbouw inluiden. Met name in Nederland. In de eerste plaats daalt de koopkracht. In sommige landen, zoals Italië, was dat al langer het geval. Het gaat zich nu echter voordoen in vrijwel alle grote exportmarkten. Juist bij een exportlandbouw als de Nederlandse, zal die ontwikkeling hard aankomen.

De prijzen zullen niet alleen gaan schommelen (soms zelfs heftig), ze zullen bovenal een langdurige trend neerwaarts vertonen. Daarmee ontstaat een tweede complicatie. Juist de grootschalige bedrijven, die de afgelopen jaren snel zijn gegroeid en daarom hoge financieringslasten hebben, komen in de gevarenzone terecht. Ze krijgen te kampen met een negatieve cashflow en hebben niet de flexibiliteit, noch de buffer, om daarop te antwoorden.

Achteraf bekeken waren de prijsstijgingen van vorig jaar opium voor de agrarische ondernemers. Ze hebben toen volop uitgebreid. Ze zijn in de val gelopen en zitten nu vast. Ik zeg uitdrukkelijk 'in de val gelopen'. Iedereen die kennis nam van bijvoorbeeld de jaarlijkse publicaties van Alfa Accountants, had kunnen weten dat dit kon gebeuren: juist op de grote en snelgroeiende bedrijven waren de marges al griezelig laag. Met de effecten van de algemene crisis (stijgende kosten, stijgende rente, dalende prijzen) wordt dat explosief.

Overigens hebben veel boeren zich het hoofd niet op hol laten brengen. Ze hebben bedrijven opgebouwd die ze in verregaande mate met eigen middelen kunnen rondzetten. "Er hoeft niet al te veel over de dam te komen", zoals ze in Friesland zeggen. Daarnaast zijn er vaak aanvullende verdiensten (bijvoorbeeld uit verbreding). Verwacht mag worden dat deze bedrijven over veel meer weerstandsvermogen beschikken.

De derde complicatie zit in de nieuwe machten die de voedselmarkten nu in verregaande mate controleren. Ik doel op de voedselimperia: de nieuwe netwerken die de productie, verwerking, distributie en consumptie van voedsel in toenemende mate beheersen. Coöperaties functioneren nauwelijks nog als tegenmacht of zijn inmiddels deel van dit systeem. De nieuwe grootmachten schroeven de consumentenprijs voor voedsel op (een riskante strategie bij een dalende koopkracht) en drukken de prijzen die boeren krijgen – boeren die op hun beurt wel met allerlei kostenstijgingen hebben te maken. De voedselimperia (die konden ontstaan dankzij de geliberaliseerde markten) vertegenwoordigen nu een permanente ontwrichting. De afschaffing van de quota is er een treffend voorbeeld van. Overigens speelde ook LTO daarbij, zoals bekend, een niet te miskennen rol.

Tenslotte de vierde complicatie. Die zit hem in de bijna spreekwoordelijke arrogantie van de top van de Nederlandse landbouwwereld. "Ons overkomt niks, wij hebben de beste landbouw ter wereld", zo wordt gedacht (of in ieder geval gezegd). Het enige probleem is, getuige Dirk Duijzer van de Rabobank, "dat de grondprijs te hoog is, waardoor verdere schaalvergroting zo moeilijk is". De combinatie van bijziendheid en arrogantie leidt ertoe dat men de crisis niet echt onder ogen kan zien. Het houdt ook in dat er geen goede tegenmaatregelen worden bedacht. En dat is, nogmaals, behoorlijk verontrustend.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.