Home

Achtergrond 114 x bekeken

Varkenshouder vecht bestemmingsplan tevergeefs aan

Een maatschap bemerkte dat in het nieuwe bestemmingsplan het bouwblok te klein was voor uitbreiding van de varkensstal. Tijdens de procedure bij de Raad van State bleek dat de varkenshouder verzuimd had zijn wensen voor de uitbreiding tijdig naar voren te brengen. Ook voerde hij aan dat de bestemming van twee naburige bedrijven voor bewoning een eventuele milieuvergunning in gevaar kon brengen. De Wet geurhinder en veehouderij leert echter dat dit geen verschil oplevert.

De Gedeputeerde Staten van Gelderland besloten op 23 oktober 2007 tot goedkeuring van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Millingen aan de Rijn. De varkenshouders van de maatschap bemerkten dat het bouwblok te klein was voor de plannen om de stal uit te breiden naar 3.500 varkens. De zaak diende voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ter zitting voerde de maatschap aan dat de gemeenteraad niet consequent was bij het toekennen van bouwblokken, aangezien de bouwblokken op nabijgelegen percelen veel meer ruimte bieden buiten de bestaande bebouwing dan het bouwblok van de maatschap. Het was echter niet duidelijk of de betreffende bedrijven concrete uitbreidingsplannen hebben overgelegd. In dit stadium van de procedure was dit argument te laat, omdat niet bleek dat dit niet eerder bekend was. De Afdeling laat dit argument daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat bij het toekennen van een agrarisch bouwblok onder meer het al bestaande bouwblok en bebouwing naast de concrete uitbreidingswensen in acht zijn genomen. Voorafgaande aan het toekennen van agrarische bouwblokken heeft de raad alle in het plangebied liggende agrarische bedrijven, waaronder het bedrijf van de maatschap, benaderd met een bedrijfsenquête om de bestaande bebouwing en de concrete uitbreidingswensen te onderzoeken. Vervolgens verzocht de raad de bedrijven die uitbreidingswensen kenbaar maakten, schriftelijk om een onderbouwing hiervan. Deze werkwijze acht de Afdeling niet onzorgvuldig of onredelijk.

Vervolgens brachten de varkenshouders in dat enkele naburige voormalige veehouderijen de bestemming ‘woondoeleinden’ kregen. Dat zou de kansen op een milieuvergunning verkleinen. Het beschermingsregime vanwege geurhinder door veehouderijen is nu vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). Deze wet heeft aparte normen opgenomen voor de afstand tot woningen die bij een veehouderij horen, welke ook van kracht blijven als de veehouderij gestaakt is. De bepalingen hiervoor zijn beschreven in artikel 3 van de Wgv. De verandering van bestemming tot wonen van de naburige voormalige veebedrijven in het nieuwe bestemmingsplan maken dus geen verschil voor het al of niet verkrijgen van de milieuvergunning.

De Afdeling concludeert op 8 oktober 2008 dat het bestemmingsplan niet in strijd is met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en verklaart het beroep van de veehouders ongegrond. Het nieuwe betemmingsplan ‘Buitengebied’ blijft dus van kracht. Op de website van Infomil is meer jurisprudentie over de Wgv te vinden.

Meer informatie Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 8 oktober 2008: nr. 200708898/1

Meer informatie Infomil: Wet geurhinder en veehouderijen (klik op ‘Juridisch’ voor meer jurisprudentie)

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.