Home

Achtergrond 718 x bekeken

Nederland te streng bij teruggaaf btw na ontbinding koopovereenkomst

Als een koopovereenkomst ontbonden wordt en een creditfactuur wordt opgemaakt, heeft dit ook gevolgen voor de btw. In een zaak voor het hof van Den Bosch kwam de vraag aan de orde of een ondernemer recht had op een teruggaaf van op een creditfactuur vermelde btw. De procedure spitste zich toe op de in de Nederlandse Wet op de omzetbelasting opgenomen eis dat de goederen in ongebruikte staat teruggenomen worden voor teruggaaf van btw.

Volgens het hof in Den Bosch en later ook de staatssecretaris De Jager is de eis dat de goederen in ongebruikte staat teruggenomen worden te streng en daarmee in strijd met de (hogere) Europese richtlijn.

De procedure voor het hof van Den Bosch is kort weergegeven de volgende:

Een jachtwerf leverde in het voorjaar van 2002 een nieuw plezierjacht aan een klant. Het jacht bleek blijvend niet te voldoen aan de door de klant gestelde eisen. Daarop ontbonden de partijen uiteindelijk de koopovereenkomst in september 2004. De jachtwerf betaalde de oorspronkelijke koopsom terug en nam het jacht terug.

De jachtwerf verzocht in de btw-aangifte over het tijdvak september 2004 om teruggaaf van de btw die was vermeld op de in verband met de teruglevering uitgereikte creditfactuur. De inspecteur weigerde dat. De btw was naar zijn mening niet aftrekbaar, omdat geen sprake was van het terugnemen van goederen in ongebruikte staat. De rechtbank van Breda was het daarmee eens. De jachtwerf ging in hoger beroep bij het hof van Den Bosch.

Het hof bekeek de specifieke wetsbepaling in artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet) over teruggaaf van btw. Volgens de wettekst is teruggaaf onder meer mogelijk als de vergoeding wordt terugbetaald, omdat een vermindering van de vergoeding is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen. Deze wetsbepaling berust op een richtlijnbepaling uit de Zesde Richtlijn. De desbetreffende bepaling vermeldt: “In geval van annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling (Ȧ..) wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.”

De Hoge Raad gaf in een arrest uit 1991 aan dat de aanpassing van de Wet aan de Zesde Richtlijn de bedoeling had om met de specifieke wetsbepaling uitvoering te geven aan de richtlijnbepaling, en wel op een wijze die tot geen ander materieel resultaat zou leiden dan die volgens de richtlijnbepaling. Het hof merkte op dat de Wet niet voldeed aan het hiervoor door de Hoge Raad genoemde uitgangspunt, nu de Wet eist dat de goederen ‘in ongebruikte staat zijn teruggenomen’.

Het hof merkte verder op dat de richtlijnbepaling weliswaar vermeldt dat lidstaten de maatstaf van heffing mogen verlagen onder de voorwaarden die zij stellen, maar dat het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat deze voorwaarden betrekking hebben op eisen van controletechnische en administratieve aard. Het beperken van de teruggaaf tot gevallen van terugname van ongebruikte goederen overschrijdt echter het toepassingsbereik van de voorwaarden.

Voorts merkte het hof op dat de opvatting van de inspecteur en de rechtbank in strijd is met doel en strekking van de desbetreffende richtlijnbepaling, namelijk het corrigeren van de btw indien de btw niet meer evenredig is aan de feitelijk ontvangen tegenprestatie. Ook in het civiele recht zag het hof een argument om het standpunt van de inspecteur af te wijzen. In het civiele recht kan worden voorbijgegaan of een teruggeleverd goed is gebruikt of eerder ter beschikking is gesteld.

Uit de feiten maakte het hof op dat de jachtwerf en de klant juist hadden gehandeld om in civielrechtelijke zin de overeenkomst te ontbinden. Daarmee was voldaan aan de eisen van de richtlijnbepaling om een verlaging van de maatstaf van heffing van btw te verkrijgen. Het hof stelde daarop de jachtwerf in het gelijk.

De staatssecretaris heeft onlangs aangegeven niet tegen de hofuitspraak in cassatie te zijn gegaan. Gezien de feiten van het geval en de strekking van de richtlijn, acht hij de beslissing van het hof juist. De staatssecretaris geeft volledigheidshalve aan dat de ondernemer niet de zogeheten margeregeling kan toepassen op het van een particulier teruggenomen goed. De margeregeling is een speciale regeling voor de levering van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, antiek en dergelijke. De regeling heeft tot doel uitsluitend btw te laten drukken op de (winst)marge op de verkoop van goederen die zijn aangekocht zonder btw en worden verkocht door een wederverkoper. Het betreft voornamelijk inkopen van particulieren of van ondernemers die vrijgestelde prestaties verrichten.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landelijke Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Meer informatie Ministerie van Financiën, 21juli 2008: nr. DGB 08-3329 (pdf gepubliceerd op 11 augustus 2008)

Meer informatie Uitspraak Hof Den Bosch, 12 juni 2008: nr. 07/00258

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.