Home

Achtergrond 146 x bekeken

Invorderingsfaciliteit is alleen voor verkrijger landgoed

Twee dochters grijpen naast de invorderingsfaciliteit van de Natuurschoonwet 1928 (NSW). De dochters hebben uit de boedel van hun overleden vader geen vastgoed verkregen, maar slechts een vordering op moeder, zodat de gunstige faciliteiten van de NSW niet van toepassing zijn. De dochters zijn successierechten verschuldigd. Deze uitspraak illustreert weer de noodzaak van deskundige begeleiding bij het opstellen van het testament en de afwikkeling van de boedel bij een NSW-landgoed.

Was het testament en de afwikkeling van de boedel in een ander vat gegoten, dan was de heffing over de waarde van het NSW-landgoed te voorkomen. Dit is de essentie van een uitspraak van het hof van Den Bosch van 28 februari 2008.

De door het hof beslechte zaak is kort samengevat de volgende:

De heer A overleed op 4 oktober 2003. Bij testament benoemde hij zijn echtgenote en zijn twee dochters, belanghebbenden, ieder voor een gelijk deel tot erfgenaam en verklaarde de wettelijke verdeling van artikel 1 van titel 3 van boek 4 van het BW van toepassing. De echtgenote erft daarom de activa en passiva van de nalatenschap en de dochters verkrijgen van rechtswege ieder een geldvordering ter grootte van hun erfdeel op de echtgenote.

Tot de nalatenschap behoort een voor het publiek opengesteld landgoed in de zin van de NSW. De waarde van het landgoed ten tijde van het overlijden bedraagt €685.000. Bij de aangifte voor het successierecht is betreffende dit landgoed door de dochters een beroep gedaan op de invorderingsfaciliteit van artikel 7 van de NSW. De inspecteur wijst de faciliteit niet toe en belanghebbenden komen uiteindelijk in hoger beroep bij de belastingrechter.

Het hof van Den Bosch overweegt dat de NSW-wetgever de invorderingsfaciliteit van artikel 7 van de NSW slechts heeft toegekend aan de verkrijger van een landgoed. Moeder is de verkrijger van het landgoed. De dochters verkrijgen slechts een vordering op moeder en hebben geen vastgoed verkregen. De wettekst biedt volgens het hof geen ruimte voor een extensieve interpretatie van artikel 1 van de NSW, dat beschrijft wie de eigenaar is. Het hoger beroep van de dochters is daarom ongegrond. Ze moeten successierechten betalen over hun vordering.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform Landelijke Landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel

Meer informatie Uitspraak hof Den Bosch, 28 februari 2008: 06/00439

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.