Home

Achtergrond 127 x bekeken

Geen successierecht voor legaat wegens huishoudelijk werk

Het is in de agrarische sector vrij gebruikelijk dat de ouders na de bedrijfsovername bij het bedrijf blijven wonen. Vaak komt de verzorging van de ouder wordende familieleden neer op de jongere generatie. De ouders worden ‘naar het end gebracht’. Voor de ‘zorgwerkzaamheden’ wordt vaak geen of slechts een geringe vergoeding gevraagd en gegeven. Voor deze groep is een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag van belang. Het hof besliste dat over een legaat aan een voormalige huishoudster geen successierecht is verschuldigd.

De huishoudster had 32 jaar lang huishoudelijke werkzaamheden verricht in de woning van de erflaatster, directrice van een handelsonderneming. Tegen een beloning die aanzienlijk lager was dan gebruikelijk en die jarenlang niet was verhoogd.

In het begin ging het om 50 gulden per week en later om ongeveer 50 euro. Erflaatster had wel hogere bedragen willen betalen, maar de werkster had dat steeds geweigerd. Erflaatster had daarop steeds verklaard dat ze het ooit eens zou goedmaken.

En dat deed ze. Ze kende de vrouw een legaat toe van €100.000, vrij van rechten en kosten. Maar de inspecteur van de belastingdienst legde de vrouw vervolgens een aanslag op vanwege successierechten. De zaak kwam uiteindelijk voor Rechtbank Den Haag.

Daar kwamen veel bijzonderheden boven water. Zo bleek dat er geen schriftelijk arbeidscontract was. Vanaf 1971 tot het overlijden van de directrice, eind december 2003, kwam de vrouw gewoon tweemaal in de week langs om de woning schoon te houden en boodschappen te doen. Dat vergde wekelijks ongeveer 12 uur. De directrice tutoyeren deed ze niet. De betrekkingen waren strikt zakelijk.

De rechtbank was op basis van de feitelijke omstandigheden van oordeel dat er sprake was van een natuurlijke verbintenis tussen erflaatster en de vrouw (juridisch niet afdwingbaar). Verder nam de rechtbank een gezagsverhouding tussen hen beiden aan en kwalificeerde ze de door de vrouw ontvangen vergoeding voor haar arbeid als loon. Dit leidde ertoe dat de vrouw als werknemer in de zin van de werknemersvrijstelling in de Successiewet kon worden aangemerkt.

De rechtbank was uiteindelijk van oordeel dat het hele legaat kon worden beschouwd als een voldoening aan de natuurlijke verbintenis jegens de vrouw, voor de door haar verrichte arbeid. Een morele verplichting. De rechtbank nam daarbij de lange duur van de dienstbetrekking in aanmerking, de relatief geringe vergoeding, en de toezegging van erflaatster om het ooit eens goed te maken. De rechtbank verminderde de aanslag successierechten tot nihil.

Maar dat pikte de belastinginspecteur niet. Die ging in hoger beroep bij het gerechtshof in Den Haag. Maar daar kreeg hij nul op z’n rekest. Het hof had ongeveer dezelfde overwegingen als de rechtbank en bevestigde dan ook haar uitspraak.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Lees ook Zoekresultaten op Agrocount.nl met trefwoord ‘successierecht’

Meer informatie Uitspraak Hof Den Haag, 18 december 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.