Home

Achtergrond 969 x bekeken

Lagere WOZ-waarde voor agrarische bedrijfswoning

Bestemmingsplannen voor het buitengebied geven meestal aan dat ‘burgerbewoning’ niet is toegestaan. Dit gegeven heeft volgens de rechtbank van Dordrecht invloed op de waardering voor de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Zij draagt in een recente uitspraak de gemeente op om een nieuwe (lagere) WOZ-beschikking af te geven, rekening houdend met de beperkte gebruiksmogelijkheden van de ‘boerenwoning’.

Uitgangspunt bij de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is de waarde in vrije staat als vertrekpunt voor de waardering van onroerende zaken. Voor de waarde (in vrije staat) moet volgens de wetsgeschiedenis van een bepaalde vooronderstelling worden uitgegaan. De waarde is ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.

De waarde die op grond van de Wet WOZ moet worden vastgesteld gaat uit van twee ficties. De ficties houden in dat de onroerende zaak moet worden gewaardeerd alsof de eigenaar de volle en onbezwaarde eigendom kan overdragen aan de verkrijger en dat de onroerende zaak vrij van huur en gebruik is. De ficties zijn ook van toepassing op de grond, zodat geen rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld erfpacht. Het feit dat het bestemmingsplan geen ‘burgerbewoning’ toelaat, is volgens de rechtbank Dordrecht wél een omstandigheid waarmee rekening moet worden gehouden.

De rechtbank Dordrecht heeft in een procedure de WOZ-waarde van een agrarische bedrijfswoning verlaagd. De gemeente had de betreffende woning vergeleken met onjuiste referentiewoningen, namelijk ‘burgerwoningen’. Volgens het geldende bestemmingsplan van de onderhavige bedrijfswoning was burgerbewoning niet toegestaan. Daardoor was in beginsel sprake van een beperking in het gebruik die uit bestemmingsplanvoorschriften voortvloeide en waarmee voor de waardering volgens de Wet WOZ rekening moet worden gehouden. Dit is alleen uitzondering als de gemeente zou meewerken aan bewoning door niet-agrariërs.

De gemeente had in de procedure niet aangegeven dat ze uitdrukkelijk een beleid voerde waaruit bleek dat burgerbewoning van bedrijfswoningen wel was toegestaan. De gemeente had volgens de rechtbank bij de vaststelling van de WOZ-waarde van de agrarische woning bij de referentiewoningen niet voldoende onderbouwd in hoeverre er rekening mee was gehouden dat die woningen geen agrarische bedrijfswoningen waren. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond. Vervolgens werd de gemeente opgedragen om een nieuwe (lagere) WOZ-beschikking af te geven, rekening houdend met de beperkte gebruiksmogelijkheden van de ‘boerenwoning’.

Deze uitspraak geeft nog eens duidelijk aan dat een agrariër met grote zorgvuldigheid naar zijn WOZ-beschikking moet kijken. De waardering blijkt in de praktijk vaak gestoeld op onjuiste vergelijkingspanden.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Lees ook Een voorkeursrecht is geen waardedrukkende WOZ-factor

Meer informatie Uitspraak Rechtbank Dordrecht, 29 juni 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.