Home

Achtergrond 1458 x bekeken

Vrijstellingen overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht binnen familie

Op 9 augustus 2007 maakte de staatssecretaris van Financiën het Besluit CPP2006/1883M bekend, dat het tot nu toe geldende beleid voor bedrijfsoverdrachten binnen de familiesfeer actualiseert. Als een onderneming wordt overgedragen is de overnemer overdrachtsbelasting verschuldigd als deze tot het ondernemingsvermogen onroerend goed behoort. Bij overname binnen de familie zijn er enkele vrijstellingen van toepassing. Deze vrijstellingen zijn nader uitgewerkt en soms verruimd.

Vrijstellingen

De verkrijging van onroerend goed door familieleden van een ondernemer is soms vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het betreft de verkrijging van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming. Deze onderneming moet, wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel al dan niet in fasen door de verkrijger of verkrijgers worden voortgezet (zie artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer, WBR). Met name voor de agrarische sector met zijn grote belangen in onroerend goed en veelvuldige bedrijfsovername binnen de familie is deze vrijstelling van belang. Met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) heeft de staatssecretaris de toepassing van deze vrijstelling verruimd.

Overdracht onderneming en inbreng in bv

Allereerst wordt goedgekeurd dat als een familielid de onderneming overneemt en de verkregen onderneming direct (of later) inbrengt in een bv, de vrijstelling van artikel 15.1.b. WBR van toepassing is. Voorwaarde daarbij is wel dat het onroerend goed in de bv wordt ingebracht met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, 2e, van de WBR. De goedkeuring geldt echter niet wanneer de ondernemer zijn onderneming rechtstreeks overdraagt aan de bv van het familielid. Deze bv is immers niet een familielid of daarmee gelijk te stellen.

Overdracht aandelen en latere overdracht onroerende zaak aan het familielid

Een ondernemer drijft zijn onderneming in de vorm van een bv, waarvan hij alle aandelen houdt. Het bedrijfspand verhuurt hij aan de bv. De ondernemer draagt in eerste instantie de aandelen in deze bv over aan een familielid. Op een later moment volgt het bedrijfspand. In deze situatie is geen sprake van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer als bedoeld in de vrijstelling. Het bedrijfspand wordt immers niet overgedragen als onderdeel van een onderneming aan een familielid, aangezien de onderneming in een bv werd uitgeoefend.

Onderneming ingebracht in bv. Voortzetting onderneming door familielid en latere overdracht onroerende zaak aan dat familielid. Overgangsbeleid

Een ondernemer heeft zijn onderneming exclusief het bedrijfspand ingebracht in een bv, waarvan hij alle aandelen houdt. Het bedrijfspand verhuurt hij sindsdien aan de bv. Hierdoor blijft dit pand dienstbaar aan de onderneming. Verspreid over een aantal jaren vindt een bedrijfsopvolging plaats. Eerst gaat de bv een personenvennootschap aan met het familielid van de ondernemer. De bv brengt daarbij de onderneming in. Later volgt een ontbinding van de personenvennootschap met toedeling van de onderneming aan het familielid. Dit familielid zet de onderneming persoonlijk voort. Ter afsluiting van deze gefaseerde bedrijfsoverdracht draagt de oorspronkelijke ondernemer de onroerende zaak over aan het familielid.

In de hiervoor beschreven situatie is geen sprake van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer als bedoeld in de vrijstelling. Het bedrijfspand wordt immers niet overgedragen als onderdeel van een onderneming aan een familielid, aangezien de onderneming in een bv werd uitgeoefend. Een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting is dan ook niet mogelijk.

Tot 22 mei 2001 heeft de staatssecretaris echter incidenteel goedgekeurd dat de vrijstelling van artikel 15.1.b. WBR toch van toepassing is. Voor deze situatie verleent de staatssecretaris alleen voor vóór 22 mei 2001 in gang gezette gefaseerde bedrijfsoverdrachten een overgangsregeling. Gelet op het waarschijnlijk beperkte aantal bedrijfsoverdrachten dat hiervoor in aanmerking komt, zal aan de inhoud van deze overgangsregeling voorbij gegaan worden.

Overdracht onderneming en inbreng in personenvennootschap

Iemand draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over aan een familielid. Vervolgens brengt het familielid de verkregen onderneming direct of op een later tijdstip in in een personenvennootschap met een derde. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling bij de eerdere overdracht in de weg. Immers de onderneming wordt wat de bedrijfsvoering betreft niet in haar geheel door het familielid voortgezet, maar mede door een derde.

In deze situatie is het ook denkbaar dat het familielid de verkregen onderneming inbrengt in een personenvennootschap met een ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Gevolg is dat de hele onderneming ‘binnen de familie blijft’. In deze situatie keurt de staatssecretaris met toepassing van de hardheidsclausule dat de vrijstelling van toepassing is bij een overdracht van een onderneming door de ondernemer aan een familielid, die wordt gevolgd door een inbreng in een personenvennootschap met een ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Ook hierbij gelden nadere voorwaarden.

Splitsing van de onderneming

Een ondernemer kan zijn onderneming splitsen in verschillende onderdelen. Door deze splitsing is het mogelijk dat bij een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer alleen de grond en niet de bijbehorende voor de bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen worden overgedragen. De vrijstelling is in dat geval niet van toepassing. Voor deze situatie wordt met toepassing van de hardheidsclausule goedgekeurd dat de vrijstelling van toepassing is bij de overdracht van de onderneming binnen de familiesfeer, als de tot deze onderneming behorende grond en niet de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen worden overgedragen. Ook hierbij gelden nadere voorwaarden.

Verkrijging krachtens erfrecht en vermogensbeding

Een ondernemer, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, drijft een onderneming in de vorm van een personenvennootschap met een familielid. Hij heeft de economische eigendom van het bedrijfspand ingebracht in de vennootschap. De juridische eigendom behoort tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. In het vennootschapscontract is onder meer bepaald dat bij het overlijden van één van de vennoten het vennootschapsaandeel verblijft aan de langstlevende vennoot. Omtrent de juridische eigendom is geen regeling in het vennootschapscontract opgenomen.

Na het overlijden van de ondernemer levert de echtgenote, als erfgename, de onverdeelde helft van de onderneming aan het familielid. Vervolgens levert zij de juridische eigendom van het bedrijfspand. Deze levering kan worden beschouwd als de laatste stap van de bedrijfsopvolging. De vrijstelling is hier echter niet van toepassing. Voor deze situatie keurt de staatssecretaris onder voorwaarden goed dat nu met toepassing van de hardheidsclausule de vrijstelling van toepassing is als de echtgenote van de overleden ondernemer, naast het onverdeelde aandeel in de onderneming, ook de juridische eigendom van het bedrijfspand levert aan een familielid. Het moet hierbij gaan om een levering ter uitvoering van de bepalingen in een vennootschapscontract.

Doorlevering door pachter

Door de staatssecretaris wordt het volgende goedgekeurd. De vrijstelling van artikel 15.1.b. WBR is van toepassing in de volgende situatie. Een ondernemer heeft als pachter van onroerende zaken zijn onderneming overgedragen aan een familielid. Nadat hij de eigendom heeft verkregen van de betreffende onroerende zaken, levert hij de eerder door hem gepachte onroerende zaken aan hetzelfde familielid. Deze ‘doorlevering’ kan in dit geval worden aangemerkt als een gefaseerde bedrijfsoverdracht. Voor deze goedkeuring geldt dat aan alle overige voor de vrijstelling geldende voorwaarden moet worden voldaan.

Overdracht aan Bureau Beheer Landbouwgronden

Met toepassing van de hardheidsclausule wordt goedgekeurd dat de vrijstelling van artikel 15.1.b. WBR van toepassing is indien een ondernemer de tot zijn onderneming behorende landerijen heeft overgedragen aan het Bureau Beheer Landbouwgronden. Vervolgens draagt hij zijn onderneming over aan een familielid. Deze goedkeuring wordt verleend onder de voorwaarde dat de ondernemer de landerijen heeft overgedragen onder de voorwaarde dat het Bureau Beheer Landbouwgronden de landerijen in langlopende pacht uitgeeft aan het familielid.

Formele aspecten

Indien de koper in de toekomst aanspraak zal maken op vermindering van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, dan wel artikel 13 van de WBR komt de eerder verleende vrijstelling te vervallen. Verder worden enkele oude besluiten op dit gebied ingetrokken. Het besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.

S.F.J.J. Schenk, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de Gibo Groep

Lees ook Studiemiddag Bedrijfsopvolging in de agrarische sector
Meer informatie Besluit CPP2006/1883M van 9 augustus 2007, Staatscourant nummer 166

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.