Home

Achtergrond 310 x bekeken

Slijtende opstallen en onverwoestbare grond

Afschrijven is van levensbelang. De ondernemer moet er rekening mee houden dat hij aan het einde van de rit met een versleten bedrijfsmiddel zit. Het is dus logisch om deze slijtage in aftrek te brengen op de behaalde winst. Niet pas aan het einde van de rit, maar tijdens het productieproces. Grond neemt hierbij een bijzondere plaats in. Het is namelijk onvergankelijk en slijt niet. Al gooi je er een bom op, dan heb je nog altijd een gat over, zo hoor je vaak. Op grond kan dan ook niet worden afgeschreven. Maar op de opstal dan, zo zult u misschien vragen. Het antwoord is niet makkelijk te geven. Ja: op opstallen mag je afschrijven. Maar met een heleboel mitsen en maren.

Eén of twee bedrijfsmiddelen

De eerste vraag die je moet stellen is of grond en opstal één gezamenlijk bedrijfsmiddel vormen, dan wel twee afzonderlijke bedrijfsmiddelen. Die vraag is begin jaren zestig door de Hoge Raad (26 juni 1963, BNB 1963/6) beantwoord: grond en opstal vormen één bedrijfsmiddel. Dat levert problemen op als (zoals zo vaak) de grond in waarde is gestegen en de opstal in waarde is gedaald. Mag over de waardedaling van de opstal worden afgeschreven, of moeten waardedaling (opstal) en –stijging (grond) worden gesaldeerd, waarna enkel nog over een negatief saldo mag worden afgeschreven.

De Hoge Raad heeft op 10 augustus 2007 (LJN: AU3977) het laatste beslist. Eerst salderen en dan pas afschrijven. Dat zal bij grond met een lage boekwaarde (en dat is vaak zo in de agro-sector met van vader op zoon overgegane grond) de afschrijvingsmogelijkheden sterk inperken. Eerst zal de waardedaling van de opstal de stijging van de grondprijs moeten inhalen. Pas daarna ontstaat een fiscale aftrekpost. Een regeling die per 1 januari 2007 voor ‘gebouwen’ in de inkomsten- en de vennootschapsbelasting al regel is geworden.

In de lucht of in de hand?

Afschrijving wordt dus beperkt door waardestijging van de ondergrond. Het gaat hier om een stijging die zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan. Een wat al te optimistische inspecteur is namelijk door de Hoge Raad op eveneens 10 augustus 2007 (LJN: AU3989) teruggefloten. Bij de afschrijving op de opstallen vond de inspecteur dat rekening gehouden moest worden met een (verwachte) waardestijging van de grond van 2% per jaar. De inspecteur (en zijn baas, de staatssecretaris van Financiën) was van mening dat een verwachte waardestijging van 2% nog aan de conservatieve kant was: waarschijnlijk zou de stijging meer zijn. Dat was de Hoge Raad echter een brug te ver. Met waardestijgingen die wellicht waarschijnlijk zijn, maar nog steeds onzeker (want in de toekomst gelegen) hoeft geen rekening gehouden te worden. De jaarwinst zou anders ten onrechte worden verhoogd met nog niet plaatsgevonden hebbende waardestijgingen.

Waardebepaling

Bij het voorgaande is dus de waarde van de grond van groot belang. Over die waarde zal tussen belastingplichtige en de belastingdienst (in de praktijk hun taxateurs) overeenstemming moeten worden bereikt. Een indicatie kan de trendmatige waardeontwikkeling van onroerend goed in een bepaald gebied zijn. Het afschrijvingspercentage voor gebouwen wisselt. Voor woningen is een vuistregel voor afschrijving een periode van 30 jaar, maar vaste regels bestaan niet echt. Niet alleen technische veroudering, maar ook veroudering in economische zin is hierbij van belang.

S.F.J.J. Schenk, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de Gibo Groep

Lees ook Activering en afschrijving voor aan vader opgeofferd bedrag is niet onzakelijk
Meer informatie De volledige uitspraak van de Hoge Raad, 10 augustus 2007, LJN: AU3977
Meer informatie De volledige uitspraak van de Hoge Raad, 10 augustus 2007, LJN: AU3989

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.