Home

Achtergrond 2527 x bekeken

Overdrachtsbelasting: vrijstelling volgens artikel 15 1.q. WBR

Artikel 15.1.q. van de Wet Belastingen op Rechtsverkeer (WBR) is met ingang van 1 januari 2007 totaal en onherkenbaar verbouwd. De vraag is echter of het allemaal wel beter en eenvoudiger is geworden. De oude vrijstelling was vaak niet te volgen. De nieuwe vrijstelling is echter niet veel minder ingewikkeld. In de te bespreken casus gaat het om een boer die twee kavels land kocht die los van elkaar lagen, maar wel dichtbij elkaar en daarom vrijstelling claimde vanwege naburigheid.

Vrijstelling

De agrarische sector zat in het verleden vaak in zijn maag met de overdrachtsbelasting. Zonde geld, niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting en aan de verhoogde boekwaarde van de grond (artikel Agrocount.nl Aankoop grond, kosten waarmee je (bijna) niets kunt , 27 augustus 2007) had je meestal niets. Bij al deze ellende was er één lichtpuntje: specifiek voor de land- en tuinbouw bestonden veel vrijstellingen. De bekendste was artikel 15.1.q. WBR: de zogeheten ‘naburigheidsvrijstelling’.

Casus

Een boer koopt van de Staat twee percelen, groot 11 respectievelijk 20 hectare, de bloot-eigendom. Meer dan 30 jaar daarvoor had hij van deze gronden al het (tijdelijke) recht van erfpacht verkregen. Naast deze rechten van erfpacht was de boer eigenaar van twee kleinere percelen, groot 4 respectievelijk 7 hectare. Voor de verkrijging van de bloot-eigendom deed de boer een beroep op art. 15.1.q. WBR. De inspecteur is het daar niet mee eens. Hij stelt dat de verkrijging van de bloot-eigendom van de twee percelen aangemerkt moet worden als één verkrijging, hetgeen van belang is voor de naburigheidsvrijstelling.

De boer was namelijk van mening dat hij van twee – afzonderlijke – percelen de eigendom verkreeg. Daardoor was er voldoende ‘naburige grond’ aanwezig om de naburigheidsvrijstelling toe te kunnen passen. Er zou namelijk in deze situatie ‘kruiselings gerefereerd’ kunnen worden. Wie deze sudoku-puzzel wil oplossen moet de uitspraak maar eens uitpluizen. De oplossing wil ik wel verklappen: het klopt als een bus. De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat er slechts sprake was van één verkrijging. Weliswaar met andere nummers, maar toch één verkrijging.

Iedereen was het er over eens dat er hier geen sprake was van een opzetje (‘kunstmatige splitsing’). De rechter was van mening dat uit de feiten volgde dat er sprake is van de verkrijging van de blote eigendom van twee landerijen. Deze landerijen hadden afzonderlijke kadastrale nummers. Ze grensden niet aan elkaar, maar waren wel naburig in de zin van de naburigheidsvrijstelling. Er was in de ogen van de rechtbank sprake van twee verkrijgingen. Voor de boer een mooie uitkomst, maar de vrijstelling is aan de meeste mensen echt niet meer uit te leggen.

Vernieuwd!

Op wasmiddelen zie je het vaak staan: vernieuwd en beter dan ooit! Dat artikel 15.1.q. WBR per 1 januari 2007 totaal vernieuwd is, zal niemand ontkennen. De tot dan toe bestaande vrijstellingen van 15.1.q. (naburigheid, de vrijstelling waar het in de zaak hiervoor om ging), 15.1.s (ruiling), 15.1.t. (hervestiging),15.1.v (hervestiging glastuinbouw in samenhang met de landinrichtingswet) en 15.1.w (hervestiging glastuinbouw) kwamen per die datum te vervallen.

In het nieuwe artikel 15.1.q. WBR (totaal vernieuwd!) kwam een algemene agrarische vrijstelling te staan. Enkel voor grond trouwens, agrarische opstallen (boerderij, schuren, silo’s) delen niet in de vrijstelling. Het moet verder gaan om bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw geëxploiteerde cultuurgrond. Wat in dit verband onder bedrijfsmatig verstaan moet worden, weet nog niemand. Daar komt bij dat dit agrarische gebruik (dat trouwens ook door een ander dan de grondeigenaar mag plaatsvinden) nog 10 jaar ná de verkrijging door moet blijven gaan. Als er op agrarische grond agrarisch gebouwd gaat worden (een tweede bedrijfswoning, maar ook een stal of een loods) binnen die 10-jaarsperiode, komen er ook fiscale problemen.

Kortom: we zijn blij dat we van het oude artikel 15.1.q. WBR af zijn. Maar zijn opvolger gaat gegarandeerd nog voor een heleboel gedonder zorgen.

Boete

In de zaak voor de Rechtbank Arnhem had de Belastingdienst de ondernemer ook nog eens een boete opgelegd van 50 procent van de verschuldigde belasting. Zo’n hoog boetepercentage betekent dat de fiscus van mening is dat sprake is van ’opzet’. Het ging maar liefst om een bedrag van bijna € 10.000. Omdat de aanslag van tafel ging, verdween ook de boete in de prullenbak.

Toch geeft het te denken dat de Belastingdienst lichtvaardig fikse bedragen aan boetes oplegt in een zaak waar zij, gelet op de uitkomst van de zaak, niet zeker kon zijn van het door haar ingenomen standpunt. Als ik in de schoenen van de ondernemer stond, zou ik om te beginnen de kosten van mijn adviseur maar eens indienen bij de Belastingdienst of het ministerie van Financiën. En mocht de fiscus in hoger beroep gaan en daar gelijk krijgen, dan heeft de ondernemer één troost: omdat hij bij de rechtbank in het gelijk is gesteld, is de boete in ieder geval van tafel.

S.F.J.J. Schenk, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de Gibo Groep

Lees ook Aankoop grond, kosten waarmee je (bijna) niets kunt
Meer informatie Uitspraak Rechtbank Arnhem, 16 augustus 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.