Home

Achtergrond 257 x bekeken

Grote mate van vrijheid voor winstverdeling vennoten

De vennoten van een vennootschap onder firma (vof) zijn in beginsel vrij de winst naar eigen inzicht te verdelen. Als de winstverdeling waartoe de vennoten hebben besloten op zakelijke gronden berust, volgt de belastingheffing de gekozen winstverdeling. Is de winstverdeling niet zakelijk, dan corrigeert de Inspecteur de winstverdeling naar zakelijke verhoudingen. Het maakt voor de totale belastingdruk nogal uit hoe de winst wordt verdeeld.

Door met de winstverdeling ‘te schuiven’ kunnen er progressievoordelen behaald worden. Met name bij samenwerkingsverbanden tussen familieleden is de inspecteur alert op dit soort verschuivingen. Het blijkt echter telkens weer dat de vennoten een grote mate van vrijheid hebben bij de winstverdeling. Een uitspraak van Hof Den Haag is hiervan een mooi voorbeeld. De zaak was als volgt:

Een vrouw had jarenlang met haar echtgenoot en zoon een winkel geëxploiteerd in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). De winkel was gevestigd in een woon-winkelpand, waarvan de vrouw eigenaresse was. Zij had het gebruik en genot van het winkelgedeelte in de vof ingebracht. Volgens de vennootschapsakte was de zoon tot de helft van de jaarwinst gerechtigd en zij en haar man ieder tot een kwart. Voorafgaande aan de winstverdeling kregen de firmanten een arbeidsvergoeding toebedeeld en kreeg de vrouw voor het in gebruik geven van het winkelgedeelte een bedrag toegekend gelijk aan de bruto jaarhuur. Het winkelgedeelte vormde voor de vrouw (toenmalig) buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen. Het woongedeelte merkte zij fiscaal aan als privé-vermogen.

Het winkelgedeelte werd tussen 1988 en 1991 ingrijpend verbouwd. De verbouwingskosten (€88.450) kwamen ten laste van de vof. De kosten werden door de vof geactiveerd en zijn in de loop der jaren afgeschreven tot nihil. Voorafgaande aan de verbouwing en daarna taxeerde een makelaar het pand. Daaruit bleek dat de verbouwingskosten voor ongeveer de helft waren terug te vinden in de waardestijging van het winkelgedeelte. In verband met de voorgenomen verkoop van het pand vond in 2001 opnieuw taxatie plaats. De makelaar taxeerde het woongedeelte op €79.411 en het winkelgedeelte op €294.957.

In november 2001 verkocht de vrouw het pand voor €317.650 aan een andere winkelier. De levering van het pand vond in april 2002 plaats, waarna de onderneming van de vof werd gestaakt. De firmanten rekenden van de verkoopopbrengst van het pand €79.400 toe aan het woongedeelte, €88.450 aan de verbouwing en de rest (€149.800) aan het winkelgedeelte.

Het aan de verbouwing toegerekende bedrag merkten de vennoten aan als winst van de vennootschap onder firma, en werd onderling toebedeeld in dezelfde verhouding als de winstverdeling in de vennootschapsakte. De vermogenswinst op het woongedeelte betekende voor de vrouw een niet-belastbare winst, terwijl de boekwinst op het winkelgedeelte samen met haar aandeel in de winst op de verbouwing tot haar winst uit onderneming behoorden.

De inspecteur was van mening dat het deel van de verkoopopbrengst dat werd toegedeeld aan de verbouwing geheel aan de vrouw moest worden toegerekend. Hij stelde dat een deel van de boekwinst op onzakelijke gronden aan de vof was toegerekend, omdat de vrouw het volledige eigendom had van het pand. Hij corrigeerde daarop de aangifte inkomstenbelasting 2002 van de vrouw. De zaak kwam voor Hof Den Haag.

Het hof was van oordeel dat niet kon worden gezegd dat de winstverdeling in de onderhavige situatie onzakelijk was. De firmanten konden er redelijkerwijs vanuit gaan dat op het tijdstip van de verkoop in 2001 aan de verbouwing nog een waarde toekwam. Hierbij nam het hof in aanmerking dat de koper van het pand in het winkelgedeelte een winkel ging voortzetten. Daardoor kon ervan worden uitgegaan dat dit gedeelte voor hem bruikbaar was ‘en voor hem waarde had’ en dat dit element een bestanddeel van de koopsom heeft gevormd. Verder bleek uit de taxatie in 1988 dat de verbouwing een waardevermeerderend effect had.

De omstandigheid dat de verbouwing in de loop der jaren tot op nihil was afgeschreven, maakte dit niet anders. Het hof onderstreepte dat het in onderhavige procedure gaat om de ‘voor een verkoop gerealiseerde en in de verkoopopbrengst begrepen’ waarde in het economische verkeer en niet om de boekwaarde. Het hof vond evenmin van belang dat de vrouw civielrechtelijk eigenaar was van het gehele pand, aangezien de verbouwing voor de vennootschap fiscaalrechtelijk ‘een economisch goed’ betekende.

Het hof was van oordeel dat de vennoten het bedrag dat zij aan de verbouwing hadden toegekend, niet op onzakelijke wijze hadden bepaald. Het hof nam daarbij de kosten van de verbouwing in 1988, de omvang van de toenmalige waardevermeerderende invloed daarvan en de daarna opgetreden waardestijging van het pand in aanmerking. Het hof maakte de correctie van de inspecteur ongedaan. Dus bleef de winstverdeling, zoals opgesteld door de firmanten, gehandhaafd.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Lees ook: Studiemiddag Personenvennootschappen
Meer informatie De volledige uitspraak van het Hof in Den Haag, 29 mei 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.