Home

Achtergrond 90 x bekeken

Factor duurzame zelfbewoning bij beëindigen bedrijf

Bij de staking van de onderneming dient met de fiscus afgerekend te worden over de stille reserves die in de onderneming schuilen. Deze stille reserves worden berekend door de waarde in het economisch verkeer af te zetten tegen de fiscale boekwaarde van de bedrijfsmiddelen. Bij de bedrijfswoning speelt echter ook de zogenoemde ‘factor wegens duurzame zelfbewoning’ nog een rol. Deze factor is een aftrekpost van de waarde in het economisch verkeer.

Momenteel wordt een reeks proefprocedures gevoerd over de reikwijdte van de factor wegens duurzame zelfbewoning. Strekt deze factor zich naast de woning zelf ook uit tot de nabijgelegen bedrijfsgebouwen? Vooralsnog beperkt de (lagere) fiscale rechter de factor tot de bedrijfswoning. Dit blijkt opnieuw uit een recente uitspraak van het Hof Arnhem.

De door het Hof Arnhem berechte zaak is beknopt samengevat de volgende:

B exploiteerde gedurende het jaar 2000 een boomkwekerij in de vorm van een eenmanszaak. Hij staakt de onderneming per ultimo van dat jaar. De tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken gingen naar B's privévermogen. Het ging hierbij om twee woningen, een aantal schuren, de ondergrond van die gebouwen en overige cultuurgronden. In geschil is of de bedrijfsgebouwen inclusief (onder)grond gewaardeerd moeten worden als vrij opleverbaar, dan wel als in eigen gebruik. Verder of bij het bepalen van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer (WEV) en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) er niet alleen bij de WEV, maar ook bij de WEVAB rekening gehouden moet worden met de factor zelfbewoning.

Volgens het hof is er slechts één waarde waartegen B de voormalige bedrijfsonroerende zaken naar het privévermogen kan overbrengen. Het gaat om de prijs die daarvoor op 31 december 2000 bij aanbieding ter verkoop op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde zou zijn besteed. Het zal de stakende ondernemer in het algemeen vrijstaan de betreffende onroerende zaken te vervreemden, en wel in vrij te aanvaarden staat. Aan de bestemming die de ondernemer tot dan toe aan die zaken heeft gegeven, is immers een einde gekomen.

B's standpunt dat de WEVAB de verkoopwaarde is, vrij van gebruiksrechten, is volgens het hof onjuist. Ook een agrariër zal bij het bepalen van een bod op agrarische onroerende zaken laten meespelen of hij die zaken al dan niet onmiddellijk kan gebruiken voor zijn eigen agrarische onderneming. Zo niet, dan zal hij niet bereid zijn de volle WEVAB te betalen maar slechts een aanmerkelijk lagere prijs.

Het hof concludeert dan ook dat op de bedrijfsopstallen inclusief (onder)grond geen waardedruk wegens duurzame zelfbewoning toegepast kan worden. En dat bij de bepaling van de WEVAB (onder)grond woning wel rekening moet worden gehouden met de factor zelfbewoning.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Lees ook Verschil WEV-WEVAB terecht belast
Meer informatie Volledige uitspraak van het Hof in Arnhem, 24 mei 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.