Home

Achtergrond 226 x bekeken

Twee waarderingsmethoden voor één WOZ-object

Ook onroerende zaken waarvan de Staat eigenaar is, worden gewaardeerd voor de WOZ. Net als veel andere eigenaren is de Staat het met deze waardering soms niet eens. Dit was ook het geval bij de WOZ-waardering van een marinecomplex. Op zich is dit feit niet zo bijzonder. Wel bijzonder is het feit dat de Hoge Raad in de procedure die op het geschil volgde beslist heeft dat voor de waardering van dit ene WOZ-object twee waarderingsmethoden naast elkaar kunnen worden gebruikt.

Uit de Wet WOZ volgt dat voor de waardering van een onroerende zaak in principe één waarderingsmethode wordt gebruikt. De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald naar de waarde in het economisch verkeer of naar de hogere gecorrigeerde vervangingswaarde. De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 30 maart 2007 geoordeeld dat voor een WOZ-object dat gedeeltelijk een rijksmonument is, beide waarderingsmethoden naast elkaar kunnen worden gebruikt. Het monumentale gedeelte wordt gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer en de rest (afhankelijk van de aard van de onroerende zaak) naar de gecorrigeerde vervangingswaarde.

Gemeenten dienen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast te stellen naar de waarde in het economisch verkeer of naar de hogere gecorrigeerde vervangingswaarde. In beginsel wordt één van beide waarderingsmethoden bij de waardebepaling toegepast. Op grond van de Wet WOZ wordt de waarde van een rijksmonument altijd bepaald op basis van de waarde in het economisch verkeer. Dit geldt niet voor gemeentelijke monumenten.

De Staat is eigenaar van een marinecomplex, waarvan slechts een gedeelte is aangewezen als rijksmonument. Tussen de gemeente Amsterdam en de Staat was in geschil of dit marinecomplex in zijn geheel naar de waarde in het economisch verkeer dient te worden bepaald, of slechts het monumentale gedeelte en de rest naar de gecorrigeerde vervangingswaarde. Hof Amsterdam heeft op 15 april 2005 geoordeeld dat slechts het monumentale gedeelte van het marinecomplex dient te worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer en het overige gedeelte naar de gecorrigeerde vervangingswaarde.

Tegen deze uitspraak van Hof Amsterdam heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De Staat was namelijk van mening dat uit de waarderingsregels van de Wet WOZ (artikel 17) volgt dat met de term ‘onroerende zaak’ wordt gedoeld op een onroerende zaak zoals bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ (dat bepaalt wanneer sprake is van één WOZ-object) en hiermee op het gehele marinecomplex.

De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat met de term ‘onroerende zaak’ in de waarderingsregels van de Wet WOZ niet wordt gedoeld op het begrip ‘onroerende zaak’ in artikel 16 van de Wet WOZ, maar op het begrip ‘onroerende zaak’ in de Monumentenwet 1988. Niet het hele marinecomplex dient dus te worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer, maar slechts het monumentale gedeelte. Het overige gedeelte moet in dit geval worden gewaardeerd naar de hogere gecorrigeerde vervangingswaarde.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Meer informatie Volledige uitspraak van de Hoge Raad

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.