Home

Achtergrond 198 x bekeken

Subsidie RBV vormt nagekomen bedrijfsbate

De rechtbank Breda heeft in een recente uitspraak besloten dat de subsidie wegens de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) een nagekomen bedrijfsbate is. Hiertegenover staat dat de sloopkosten op de subsidie in mindering kan worden gebracht. De sloopkosten vormen een noodzakelijke uitgave om de subsidies te krijgen en vormen daarom nagekomen bedrijfskosten.

De door de rechtbank besliste casus lag als volgt: Een agrarisch ondernemer staakte zijn varkenshouderij per ultimo 1998. In 1998 verkocht hij het restant van de verkoopbare productierechten evenals de ammoniakrechten. Na deze verkoop resteerde nog een aantal niet-verhandelbare, grondgebonden varkensrechten. In de aangifte over het jaar 1998 worden, als gevolg van de staking, de varkensstallen, de ondergrond en het erf en de cultuurgrond naar privé overgebracht.

De varkensrechten zijn ook na de staking tot het ondernemingsvermogen blijven horen. Op 20 maart 2000 is de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken inwerking getreden. De inschrijvingstermijn voor de toepassing van die regeling liep van 22 maart 2000 tot en met 20 mei 2000. Belanghebbende dient een aanvraag RBV in bij Laser. Op grond van deze aanvraag wordt onder meer een subsidie voor de afbraak (sloop) en een subsidie voor de gecorrigeerde vervangingswaarde van de gebouwen toegekend.

Bij de rechtbank is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
1. Zijn de hierboven genoemde subsidies uit hoofde van de RBV belast als winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden?
2. Kan, ingeval de rechtbank de subsidies belastbaar acht, de ondernemer op de door hem ontvangen subsidies de door hem gemaakte sloopkosten in mindering brengen?

De rechtbank overweegt als volgt. De subsidies waarvan de belastbaarheid hier in geschil is, worden krachtens de RBV slechts toegekend naast een subsidie voor de beëindiging van een of meer veehouderijtakken op een bedrijf. Belanghebbende kreeg derhalve slechts recht op deze subsidies, omdat hij ook recht had op een subsidie voor de nog in zijn bezit zijnde varkensrechten.

De voorwaarden voor deze laatstgenoemde subsidie worden vermeld in artikel 7 van de RBV die, voor zover hier relevante, als volgt luidt:
“1. De subsidie wordt verstrekt indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

  • Beëindiging van de productie van dierlijke meststoffen afkomstig van de varkens;
  • Registratie van de kennisgeving van het vervallen van het varkensrecht van het bedrijf;
  • Doorhaling van mestproductierecht;
  • Intrekking van de milieuvergunning.

    Anders dan belanghebbende stelt, kan een particulier, door de hierboven beschreven koppeling tussen het recht op de subsidies die te maken hebben met de sloopkosten en de waarde van de opstallen enerzijds en de subsidies die verband houden met de varkensrechten anderzijds, niet in aanmerking komen voor enige van deze genoemde subsidies.

    Uit het voorgaande volgt dat de subsidies aan belanghebbende uitsluitend zijn toegekomen in zijn kwaliteit van (voormalig) veehouder/ondernemer en direct samenhangen met de (beëindiging van zijn) voormalige onderneming. Het feit dat het recht op subsidies pas ontstond na feitelijke beëindiging van de onderneming, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de subsidies een nagekomen bedrijfsbate.’

    Verder overweegt de rechtbank nog dat belanghebbende de sloopkosten op de subsidie in mindering kan brengen. De sloopkosten vormden een noodzakelijke uitgave om de subsidies te krijgen en vormden derhalve nagekomen bedrijfskosten.

    Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

  • Administrator

    Of registreer je om te kunnen reageren.