Home

Achtergrond 224 x bekeken

Onderneming in Duitsland en Nederland. Recht op gehele zelfstandigenaftrek?

Op dit moment heeft de Hoge Raad een zaak in behandeling die voor veel ondernemers met een nevenvestiging in Nederland van belang is. In geschil is de vraag hoe de zelfstandigenaftrek toegepast moet worden. Het Hof is van mening dat de ondernemer naar rato recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het is echter de vraag of ook de Hoge Raad deze mening is toegedaan.

De aan de Hoge Raad voorgelegde zaak is kort samengevat de volgende: een ondernemer woont in Duitsland en exploiteert daar een glastuinbouwbedrijf met een vaste inrichting in Nederland. In 2001 besteedt hij meer dan 1.225 uur aan de totale onderneming. Aan de vaste inrichting in Nederland werd minder dan 1.225 uur besteed. Belanghebbende stelt dat hij ook in de buitenlandse onderneming gewerkte uren mag meetellen bij de beoordeling van het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek. De inspecteur is het daar niet mee eens.

De rechtbank oordeelde in eerste instantie dat voor de beoordeling van het urencriterium alleen de voor de Nederlandse vaste inrichting gewerkte uren meetellen. Belanghebbende ging daarop in hoger beroep.

Vervolgens oordeelde het Hof dat voor het vaststellen van het aantal uren dat belanghebbende heeft besteed aan werkzaamheden voor zijn ondernemingen, ook de uren meetellen die zijn besteed aan de Duitse vestiging. Hierbij wordt overwogen dat sprake zou zijn van een verboden discriminatie in de zin van het EG-verdrag indien dit anders zou zijn. Gelet hierop is een evenredige toerekening van de zelfstandigenaftrek op zijn plaats.

Tegen de uitspraak van het Hof heeft de ondernemer tenslotte beroep in cassatie ingesteld. Hij wenst de gehele zelfstandigenaftrek in mindering te brengen op zijn Nederlandse winst. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van de ondernemer stelt de staatssecretaris voorop dat hij het oordeel van het hof – met inbegrip van een evenredige toerekening van de zelfstandigenaftrek – op zichzelf redelijk acht.

Echter aangezien belanghebbende deze beslissing aanvecht, en de zelfstandigenaftrek in zijn geheel in mindering wil brengen op de in Nederland belaste winst, acht de staatssecretaris het van belang dat de Hoge Raad zich alsnog over de principiële vragen uitlaat. Hij stelt daarom incidenteel cassatieberoep in waarin het standpunt wordt ingenomen dat de “buitenlandse uren” in het geheel niet meetellen.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.