Home

Achtergrond 218 x bekeken

Loonbelasting bij tussentijdse intrekking verklaring geen privé-gebruik

Vanaf 1 januari 2006 wordt de auto van de zaak in de loonbelasting belast. De eerste jurisprudentie rondom deze regeling begint inmiddels te verschijnen. Uit een uitspraak van de Rechtbank Arnhem blijkt dat het aanvragen van een ‘verklaring geen privé-gebruik’ in feite alleen zinvol is als het autogebruik van de betreffende werknemer over het hele jaar niet wijzigt en beneden de 500 km-grens blijft.

Werkgevers hoeven voor werknemers, die met de auto van de zaak maximaal 500 kilometer per jaar in privé rijden, geen bijtelling van ten minste 22% van de cataloguswaarde van de auto tot het loon te rekenen. In dat geval moet dit geringe (of geen) privé-gebruik met aanvaardbaar bewijs zijn onderbouwd. Als vormen van aanvaardbaar bewijs fungeren een sluitende kilometeradministratie/rittenadministratie, een schriftelijke afspraak tussen werkgever en werknemer in de vorm van een ‘verbod privé-gebruik bestelauto’ of een ‘verklaring geen privé-gebruik’ van de werknemer. Een werknemer kan laatstgenoemde verklaring aanvragen bij de belastinginspecteur.

Uit een uitspraak van Rechtbank Arnhem blijkt dat het aanvragen van een ‘verklaring geen privé-gebruik’ (hierna: verklaring) eigenlijk alleen zinvol is als het autogebruik van de betreffende werknemer over het hele jaar niet wijzigt, dat wil zeggen dat het privé-gebruik op kalenderjaarbasis maximaal 500 km zal bedragen. Een verzoek om intrekking van de verklaring leidt namelijk ertoe dat de fiscus de 22%-bijtelling óók toepast over de periode dat de werknemer de auto van de zaak niet of nauwelijks voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Dit is dus iets om in gedachten te houden. De zaak voor rechtbank Arnhem was als volgt.

Een werknemer was op 1 januari 2006 in dienstbetrekking werkzaam. Zijn werkgever stelde hem een auto ter beschikking voor het maken van dienstreizen. Eind januari 2006 verzocht de werknemer de belastinginspecteur om de afgifte van een ‘verklaring geen privé-gebruik’. Enkele dagen later ontving hij de verklaring. Op 2 maart 2006 verzocht de werknemer de inspecteur om de verklaring in te trekken. Reden hiervoor was een functiewijziging bij zijn werkgever per 1 maart 2006. Door de functiewijziging zou hij per 1 maart 2006 meer en onregelmatiger gebruikmaken van de hem ter beschikking gestelde auto, waardoor het ondoenlijk werd om een sluitende rittenadministratie bij te houden.

De werknemer had zijn eigen auto op 1 maart 2006 verkocht en had sinds die datum de auto van de zaak ook voor privé-doeleinden gebruikt. Het privé-gebruik van de auto na 1 maart 2006 beliep meer dan 500 km.

De inspecteur trok de verklaring in en legde de werknemer als gevolg van de intrekking een naheffingsaanslag loonbelasting op over de periode 1 januari 2006 tot en met 26 februari 2006 tot een bedrag van € 441,38.

De werknemer maakte tegen de naheffingsaanslag bezwaar. Hij stelde dat hij over de maanden januari en februari geen voordeel had genoten van een auto van de zaak. Dit zou blijken uit de sluitend bijgehouden rittenadministratie. De inspecteur bestreed niet dat de werknemer gedurende deze maanden de auto niet voor privé-doeleinden had gebruikt. Hij stelde echter dat dit niet ter zake deed. Van belang was dat de werknemer ook over deze periode een auto ter beschikking was gesteld.

De rechtbank gaf de inspecteur gelijk. Voor de regeling van de autokostenbijtelling is niet relevant of de ter beschikking gestelde auto gedurende het hele kalenderjaar daadwerkelijk door de werknemer is gebruikt. Nu uit de feiten bleek dat de werknemer over het gehele kalenderjaar dezelfde auto ter beschikking was gesteld en dat het privé-gebruik meer dan 500 km had bedragen, is de wettelijke regeling voor autokostenbijtelling gewoon van toepassing. De rechtbank liet naheffingsaanslag loonbelasting in stand.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.