Home

Achtergrond 113 x bekeken

Lenen aan eigen BV in box 1 en lenen van eigen BV in box 3

Een aanmerkelijk-belanghouder die geld leent aan of van zijn BV heeft te maken met verschillende belastingtarieven in de inkomstenbelasting. Bij geld lenen aan de BV is de zogeheten terbeschikkingsstellingsregeling van box 1 toepassing. De rente op de geldlening wordt in deze box tegen maximaal 52% belast. Bij geld lenen van de BV, zijn de regels van box 3 (30% belasting over 4% forfaitair rendement) van toepassing.

In een hoger beroepsprocedure voor Hof Den Haag kwam de vraag aan de orde of dit verschil in behandeling leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel van het Internationaal verdrag voor de bescherming van burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De procedure betrof een directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga), die geld had geleend van zijn BV om daarmee te beleggen in aandelen. Op 1 januari 2002 bedroeg de geldlening ca € 2,2 miljoen en op 31 december 2002 ca € 2,6 miljoen. De BV had in 2002 de dga € 74.667 aan rente in rekening gebracht. De dga had in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2002 zowel de beleggingen als de geldlening tot zijn box 3-vermogen gerekend.

Na bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting stelde de dga zich op het standpunt, dat de rente in mindering moest komen op het box 1-inkomen indien en voor zover de geldlening in box 1 onder het ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ zou worden opgenomen. Kennelijk had de dga in bezwaar de geldlening overgebracht naar zijn box 1-inkomen. De dga was voorts van mening dat, indien de Nederlandse belastingwetgeving dit niet toestaat, dit zou leiden tot bovengenoemde schending van het gelijkheidsbeginsel. De inspecteur weigerde evenwel de renteaftrek.

Hof Den Haag stelde voorop dat het IVBPR en het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd, omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Daarbij heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van de verdragsartikelen uit de IVBPR en EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd. Het hof overwoog daarbij dat het oordeel van de wetgever moet worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.

Uit de wetsgeschiedenis van de terbeschikkingsstellingsregeling maakte het hof op dat de wetgever heeft willen voorkomen dat een aanmerkelijk-belanghouder met zijn gelieerde bv de belastingheffing al te zeer naar zijn hand kan zetten, door relatief hoog belast winstinkomen uit box 1 om te zetten in lager belast inkomen in box 3. Voorts heeft de wetgever de parallel willen versterken tussen ondernemers die hun onderneming voor eigen rekening drijven en ondernemers die hebben gekozen voor de bv.

Naar het oordeel van het hof is de positie van een dga die geld leent van zijn bv om daarmee te beleggen niet gelijk te stellen aan de positie van een dga die geld leent aan zijn bv voor ondernemingsdoeleinden. Voorts zou, indien in onderhavige situatie de parallel wordt doorgetrokken met de ondernemer die voor eigen risico een onderneming drijft, de geldmiddelen geacht moeten worden aan het ondernemingsvermogen te zijn onttrokken (waardoor de geldmiddelen in box 3 vallen). In dat geval onderscheidt de dga zich niet van de particulier die zijn vermogen aanwendt voor belegging.

Het hof komt tenslotte tot het oordeel dat de wetgever, door voor onderhavige situatie geen uitzondering te maken op de terbeschikkingstellingsregeling, de beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden. Het verschil in behandeling van lenen aan en lenen van de eigen BV is derhalve toegestaan.

Mr. P.L.F. Seegers (voorzitter Platform landbouwnormen, werkzaam bij Belastingdienst Oost). Geschreven op persoonlijke titel.

Meer informatie Volledige uitspraak van het Gerechtshof van Den Haag

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.