Home

Achtergrond 380 x bekeken

Landbouwvrijstelling en projectontwikkelaar: lastige combinatie

Bij de landbouwvrijstelling onder het regime van de Wet IB 1964 gaat het om de verwachting van het gebruik na de verkoop van de grond, en niet om het daadwerkelijk gebruik zoals dat na verkoop heeft plaatsgevonden.

Een melkveehouder verkocht in januari 1996 een perceeltje landbouwgrond van 2,7 hectare voor ruim f 1.000.000 aan een projectontwikkelaar. De grond was bestemd voor woningbouw, maar in afwachting daarvan mochten de koeien nog blijven rondlopen. Het agrarisch gebruik was niet verzekerd met een 73-maandenclausule. De grond werd vooralsnog niet geleverd en ook niet betaald. Zij bleef dus juridisch eigendom van de boer. De projectontwikkelaar leende de verkoper wel alvast een bedrag ter grootte van de koopsom. Voor de door de boer behaalde winst werd een vervangingsreserve gevormd. Toen deze na 4 jaar (dus in 2000) vrijviel – en dus tot de winst gerekend diende te worden – werd betoogd dat op de verkoop in 1996 de landbouwvrijstelling van toepassing was geweest. Er had daarom helemaal geen reserve gevormd hoeven te worden.

De belastingrechter oordeelde echter (Hof Den Bosch 11 april 2007, nr. 04/00987) dat toen de grond werd verkocht belanghebbende blijkbaar van mening was geweest dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing was. Daarvoor zullen de bouwplannen wel te concreet en – in de tijd bezien – te dichtbij zijn geweest. Dat later blijkt dat de bouw vertraging oploopt, en dat mogelijk wel aan de 73 maands eis voldaan had kunnen worden is dan niet meer van belang. Het gaat om de verwachting ten tijde van de verkoop, en niet om de werkelijke gang van zaken nadien.

Deze zaak speelde onder het regime van de oude inkomstenbelasting, de Wet IB 1964. Wat kunnen we hier nu nog van leren? Voor de inkomstenbelasting weinig. Het hele verhaal van de 73-maands termijn is vanaf 27 juni 2000 niet meer van belang. Winst behaald met de verkoop van landbouwgrond is altijd belast als de verkoopprijs hoger is dan de WEVAB-waarde van de grond. Welke benaming hiervoor wordt gebruikt, of onder welke voorwaarden deze verkoop plaatsvindt is niet van belang.

Vanaf 1 januari 2007 echter kent de overdrachtsbelasting een nieuwe vrijstelling, art. 15.1.q WBR (nieuw). Deze vrijstelling stelt vrij van overdrachtsbelasting de verkrijging van landbouwgronden, op voorwaarde dat deze grond na de verkrijging nog 120 maanden bedrijfsmatig agrarisch gebruikt wordt. Voor deze vrijstelling geldt – anders dan bij de 73-maands clausule – echter dat het niet gaat om de verwachting ten aanzien van het gebruik na de verkoop, maar om het daadwerkelijke agrarisch gebruik. Dit daadwerkelijk agrarisch gebruik zal een verkoper altijd door middel van een kettingbeding en een boeteclausule moeten verzekeren. Anders kan de fiscale ellende werkelijk niet te overzien zijn.

S.F.J.J. Schenk FB, directeur adviesgroep Fiscale Zaken van de GIBO Groep

Lees ook: Studiemiddag 'De landbouwvrijstelling in de wet IB 2001'
Meer informatie Volledige uitspraak van Hof Den Bosch 11 april 2007

Administrator

Of registreer je om te kunnen reageren.